Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

vrijdag 29 augustus 2008

9. Mijn bezwaren tegen de (bestaande) religies (I)

.
Religie beschouw ik als een belangrijk, zo niet noodzakelijk bestanddeel voor een bloeiend leven, zowel individueel als cultureel-maatschappelijk. Vraag is dan: bij welke bestaande religie zou ik me kunnen of willen aansluiten? Als ik over deze vraag nadenk, stuit ik op een aantal bezwaren. Te weten:
.1: verouderd referentiekader
.2: blindheid voor het vele, voor de levensbeschouwelijke verscheidenheid
.3: geloof in de grammatica
.4: scripturalisme
.5: ascetisme
Laat ik deze punten toelichten.


Bezwaar 1: verouderd referentiekader

Een van de belangrijkste redenen waarom ik mij niet kan vinden in de bestaande religies (en ik ken geen uitzonderingen, al is er wel sprake van een meer en minder) is het existentiële referentiekader dat eraan ten grondslag ligt en waarvan alle oorspronkelijke verhalen doortrokken zijn. Met 'existentieel referentiekader' bedoel ik in dit verband: mens- en wereldbeeld, levensopvatting, wereldbeschouwing, - haar metafysica, zo u wilt.
Alle bestaande religies zijn ontstaan in het premoderne tijdperk, en dat is te merken wanneer je je verdiept in de teksten. Ik denk aan de verklaringen die worden gegeven voor het ontstaan der dingen (scheppingsverhalen), aan de wondervehalen (zoals openbaringen en hemelvaarten), aan de verhalen over geest en lichaam (zoals wederopstanding en reïncarnatie) en aan de verhalen over de uiteindelijke redding, verlossing of verlichting. Zij ademen een verouderd referentiekader: ooit cultureel-evolutionair adequaat en effectief, wellicht, passend bij de toenmalige omstandigheden en mentaliteit, maar nu niet meer.

Men zou kunnen tegenwerpen dat religieuze teksten niet bedoeld zijn als wereldverklaring (zoals wij dat verwachten van wetenschap), maar eerder een spirituele betekenis hebben, ter verdieping van iemands geestelijke leven. Deze moderne redding van premoderne verhalen weet mij niet te overtuigen, en ik vraag mij af of het wel klopt. Meer voor de hand ligt dat ooit beide het geval was: voor mensen toen hadden die verhalen zowel een wereldverklarende betekenis als ook een spirituele. En als dat zo is, is het dan wel zinvol om beide te scheiden?

Hoe dan ook, de religieuze verhalen van weleer blijven voor mij in spirituele zin zonder effect. Ik moet teveel vertaalslagen maken, telkens niet lezen wat er staat, en te zeer mijn eigen wereldbegrip geweld aandoen, zodanig dat ik er niet in slaag om die teksten nog serieus te nemen. Eerder hebben zij een komische uitwerking op mij. Het lezen van dergelijke teksten werkt niet meer als geestelijke oefening; ik zou niet weten hoe zij mijn spiritualiteit nog zouden kunnen verdiepen, - en dat lijkt mij wel het minste wat je van religieuze teksten mag verwachten.

Een andere tegenwerping is dat het in religie helemaal niet gaat om metafysica, maar om het concrete leven. Wat telt is niet zoiets abstracts als een referentiekader, maar hoe we met onszelf en met anderen omgaan, het betrachten van naastenliefde, mededogen, barmhartigheid, leven in het hier en nu, vergevingsgezindheid, rechtvaardigheid, - kortom: het goede doen. Het religieuze leven blijkt in de praktijk. Dit klinkt aannemelijk, maar is het dat ook?

Kunnen wij mensen concreet leven zonder vooronderstellingen? Kunnen we zonder verwachtingen, waarderingen en idealen waaraan we dagelijkse gebeurtenissen afmeten? Is het belangrijk vinden van naastenliefde of mededogen niet reeds een ‘voor-oordeel’ waaruit een bepaald mensbeeld spreekt? Hetzelfde geldt voor zoiets concreets als leven in het hier en nu: welke levensopvatting is daarmee verondersteld? En wat betekent het om het ‘goede’ te doen? Waarom zouden we?
Mij lijkt dat vooronderstellingen permanent van kracht zijn in hoe we het concrete leven elk moment van de dag evalueren. Ik kom er in ieder geval niet los van. Dit blijkt bijvoorbeeld wanneer iets me niet zint of wanneer van mij een beslissing wordt verwacht. Tal van ‘voor-oordelen’ blijken dan paraat aanwezig; ik hoef er niets voor te doen.
Bezinning bij tijd en wijle op deze ‘voor-oordelen’ en andere denkgewoontes lijkt me niet verkeerd, ja gewenst. Minstens om me er bewust van te zijn. Eventueel om ze te wijzigen. En het besef denkgewoontes te hebben geeft ruimte; het maakt dat ik er meer ontspannen mee kan omgaan.
Zou religie zonder zo’n bezinning kunnen?

Wanneer het in religie voor alles, of zelfs uitsluitend, om de praktijk zou gaan, dan zouden we wat teksten betreft kunnen volstaan met een bundeling van levenswijsheden. We laten het denken over aan enkele wijze voorbeelden. Het enige dat van ons wordt gevraagd is ons te voegen naar de inzichten die door geautoriseerde anderen zijn opgedaan en de praktijkvoorschriften die zij in al hun wijsheid hebben uitgezet.

Wie kan zich in een dergelijke volgzaamheid vinden? Mij heeft het nooit kunnen bevredigen. Er is in het persoonlijke en in het collectieve leven meer dan voldoende aanleiding om autoriteiten niet zomaar onvoorwaardelijk te vertrouwen. En dat geldt ook voor spirituele meesters en religieuze leiders. Het is een platitude om te zeggen dat geen enkele mens onfeilbaar is, - al lijkt dit niet in alle religies te worden erkend (ik denk aan de status van Jezus en pausen in het Christendom, en aan die van verlichte lieden in Oosterse religies).

Waarom zou ik er van uitgaan dat de inzichten van anderen ook voor mij kloppen? Waarom zou ik er überhaupt van uit gaan dat een inzicht waardevol is? Ik pleit niet voor een houding van argwaan en wantrouwen, maar wel voor iets anders dan volgzaamheid. Namelijk zelf beproeven en kritische zin. In hedendaags jargon: authenticiteit en mondigheid. (Authenticiteit genomen naar zijn oorspronkelijke betekenis van ‘eigenhandigheid’ [auto-hentès], - wat in dit verband wil zeggen: zelf onderzoeken wat iets waard is.) ‘Mens, heb de moed je eigen verstand te gebruiken!’

Ik besef dat de eis van authenticiteit en mondigheid er een is van de moderniteit. Eeuwenlang werd het gezag van autoriteiten geaccepteerd, of zo u wilt: opgelegd ondanks minderheidsprotesten. Zelfs in de Oudheid was zelf nadenken geen cultureel ideaal, ook niet in de filosofische scholen. Er waren de meesters, zoals Plato, Aristoteles en Epicurus, en zij golden als autoriteit; leden van de scholen waren volgelingen. Moderne mensen accepteren een dergelijke autoriteitscultus niet langer. Weliswaar kunnen we van grootheden leren, veel zelfs, maar we worden geacht er een eigen oordeel over te vormen. Bovendien worden weinigen nog volgeling van maar één meester. Het zwaartepunt ligt ergens anders: bij het individu. Ik vorm het kruispunt van tal van invloeden en ben zelf het uiteindelijke criterium voor hoe ik die invloeden waardeer en wat ik ermee doe. Dit gaat uiteraard niet vanzelf. Een van de taken van filosofie is geworden om het eigen oordeelsvermogen en de individuele kunst van het kiezen kritisch te scholen en te ondersteunen.

Als er iets is dat de moderniteit de moeite van het verdedigen waard maakt, ook met het oog op religie, dan is het het ideaal van individualiteit, de veralgemeende kritische zin (gewaarborgd in de vrijheid van meningsuiting) en het recht van iedereen om geen genoegen te nemen met een autoriteitsargument, maar zelf te onderzoeken wat iets waard is. Ook inzake spiritualiteit en het zgn heilige. Waarde dient zich te bewijzen. Niet-Westerse religies bijvoorbeeld die naar Europa komen blijven (terecht) een vreemde eend in de bijt zo lang zij geen plaats inruimen voor de kritische houding van gelovigen en onderzoekers. Inderdaad, voor de moderne mens is niets meer ‘heilig’, als daarmee bedoeld wordt: bij voorbaat onaantastbaar en boven elke kritiek verheven.

Natuurlijk spelen in religie ook andere zaken een rol, en wellicht zelfs een hoofdrol. Zoals gemeenschap, vieren, devotie, lyriek en verwondering. Maar is dat een reden om het verstand buiten spel te zetten? Voor mij is het in ieder geval een forse hindernis wanneer ik het laatste zou moeten doen om in het eerste te kunnen participeren.

Wanneer religie van levensbelang is en tot het edelste behoort dat ooit door de mensheid is voortgebracht (zoals menigeen beweert die religie een warm hart toedraagt), dan zal zij recht moeten doen aan mijn hele menszijn. Hoe kan religie die status waarmaken wanneer zij tegelijk onkritische volgzaamheid predikt en voorbij gaat aan hetgeen mij tot mens maakt, namelijk mijn verstand (in brede zin opgevat, inclusief verbeelding, intuïtie, kritische zin en oordeelsvermogen)? Hoe kan religie bijdragen aan een bloeiend leven wanneer zij menselijk leven intrinsiek beknot? Een religie met toekomst zal zich moeten ontdoen van deze beknotting en ruimte geven aan kritische zin en authenticiteit.

Als dit gebeurt, zullen gelovigen of religieuze potentials onvermijdelijk stuiten op verhalen waaruit een verouderd referentiekader spreekt. Een aantal van deze verhalen kan gemakkelijk worden genegeerd (zoals de meeste wonderverhalen). Andere raken aan de kern van de betreffende religie. Zoals de scheppingsverhalen. Zoals de uitzonderlijke positie van mensen als Jezus of Mohammed. En concepten zoals reïncarnatie, hiernamaals en goddelijke openbaring. Het lijkt me onmogelijk om deze verhalen te negeren of met een korreltje zout te nemen, zonder dat de betreffende religie in haar grondvesten wordt aangetast.

Waarom is dat verouderde referentiekader zo’n bezwaar? Waarom me druk maken over schepping- en andere verhalen die wetenschappelijk niet blijken te kloppen? Waarom niet soepel omgaan met concepten die niet meer stroken met de onze? Waarom er niet wat poëtischer naar kijken?

Een reden om deze situatie niet voor lief te nemen is dat er mensen zijn, velen zelfs, die religieuze verhalen wel degelijk letterlijk nemen. Die verhalen blijken gedrag en opvattingen te rechtvaardigen die wij niet (meer) acceptabel vinden. Zoals verouderde vijandbeelden, intolerantie jegens andersdenkenden en paternalistische sekseverhoudingen. (Ik kom hier nog op terug.)

Een andere reden betreft de psychagogische werking van religieuze teksten. Ik refereerde hier reeds aan toen de vraag aan de orde was hoe zinvol het is om de wereldverklarende betekenis van religieuze verhalen te scheiden van hun spirituele betekenis.
Religieuze verhalen, inclusief de scheppingsverhalen, konden lange tijd begrepen worden als een geestelijke oefening, als inleiding in een zienswijze, in een religieuze manier van leven en denken. Met de moderne wetenschap en haar impact op ons mens- en wereldbeeld zijn tal van religieuze verhalen niet meer geloofwaardig; zij werken niet meer als geestelijke oefening.
Waarom zou dat een probleem zijn? Het springende punt betreft zin. Ik vraag me af of het bestaan uit zichzelf zin heeft. Voor mij in ieder geval niet. De vraag naar zin hangt af van degene die hem stelt: van een wezen met een bewustzijn. Het bestaan is grotendeels zonder bewustzijn en bekommert zich niet om zin. Mensen wel, omdat zij leven met een bewustzijn dat zich de vraag ernaar stelt. Welnu, het bestaan heeft een verhaal nodig, wil ik het als zinvol ervaren: een duiding van de werkelijkheid in haar samenhang en met mijn plek daarin.
Zin is een verhaal, en het maakt uit hoe het wordt verteld. Wat dan als ik met twee aparte, in een aantal opzichten elkaar tegensprekende verhalen zou moeten leven: het een modern wetenschappelijk, het andere premodern religieus? Ik kan niet leven met deze tegenstrijdigheid en kies dan voor het modern wetenschappelijke verhaal met de hoop dat er ooit een religieus verhaal komt dat met het eerste te rijmen valt.
In ieder geval weet het premoderne religieuze verhaal (dat in uiteenlopende varianten de basis is van alle bestaande religies) mij niet te begeesteren, - hetgeen jammer is voor mij en de religie...

Anders gezegd: het referentiekader van de bestaande religies is verouderd omdat het vervreemding in de hand werkt, in plaats van deze op te heffen, - wat mij de primaire taak lijkt van religie. Immers, religie als een herverbinden zoekt juist iets te doen aan de vervreemdingen waar we aan bloot staan in het dagelijks leven. Opnieuw ‘heel’ maken wat om verschillende redenen uiteen is geraakt. Ik denk aan mijn geestelijk functioneren dat los komt te staan van het lichaam (‘in je hoofd zitten’). Aan de persoon als geheel die zoek raakt in werk- en taakverdelingen die mij aanspreken op slechts een aspect van mijn menszijn. Aan het deel uitmaken van een gemeenschap dat verloren dreigt te gaan door isolement, cocooning, of gebrek aan contacten buiten het eigen kringetje. Ik denk aan de neiging om mijzelf los te zien van een ecosysteem, van de natuur, ja van een kosmos, terwijl mijn bestaan ondenkbaar is zonder die grotere gehelen. Mij lijkt dat religie op al deze niveaus aan herverbinding probeert te doen, door rituelen, door meditatie (of gebed, zo u wilt), door devotie of door begrip (zoals door teksten aangereikt). Althans, dat zou de taak van religie kunnen (en wat mij betreft: moeten) zijn. (En aangezien ik niet zie hoe de dialectiek van vervreemding en herverbinding ooit blijvend zal worden opgeheven, zie ik evenmin hoe de rol van religie ooit uitgespeeld zal raken, - tenzij deze rol wordt overgenomen door iets anders.)

Echter, wat gebeurt er wanneer het referentiekader verouderd is, wanneer de verhalen niet meer van deze tijd zijn, wanneer er een omgang met mijzelf, met anderen, met de natuur of de kosmos uitspreekt die niet aansluit bij het begrip van mens en wereld waarin we gesocialiseerd zijn?

Wanneer religie, in de naam van menswaardigheid, belangrijk is als tegenmacht tegen vervreemdende, desintegrerende krachten in de samenleving (zoals het economische leven, - zeker in deze neoliberale tijd), hoe kan zij dan die taak waarmaken indien zij de taal van deze tijd niet spreekt, maar een taal die aansluit bij een samenleving in voorbije tijden? Tuimel je dan niet van de ene vervreemding in de andere? Wie heeft daar baat bij?

Tenslotte een achtergrondgedachte bij dit bezwaar tegen de bestaande religies en waarom ik meen dat we er niet blijvend mee opgescheept hoeven zitten. Behalve vanuit existentieel gezichtspunt (onze vragen, behoeften en verlangens) begrijp ik religie vanuit cultureel-evolutionair perspectief. Zo gezien vat ik religie op als een product van de (alsmaar veranderende) constellatie waarin mensen optimaal proberen te leven. Wat betekent dat?

Zoals alle levende wezens zijn ook mensen onderworpen aan twee drijfveren: overleven en zich voortplanten; zonder deze drijfveren zou de soort uitsterven. De vraag is hoe. Hoe geven we vorm aan deze drijfveren? Hoe dit te doen op een menswaardige wijze? Wat hetzelfde is als te zeggen: hoe als mens, individueel en collectief, een bloeiend leven te leiden? De beantwoording van deze vragen heet cultuur, en haar evolutie geschiedenis. Daarbij spelen niet alleen economie en politiek een belangrijke rol; in feite dragen alle soorten van menselijke activiteiten eraan bij. Ook religie. De vraag is welke.

Aangezien de constellatie waarin mensen hun bestaan leven alsmaar verandert, zal ook religie als product van deze constellatie mee moeten veranderen, wil zij adequaat blijven voorzien in de vragen, behoeften en verlangens van mensen die een bloeiend leven willen leiden. Religies zijn geen goed in zichzelf, geen absolute grootheid welke los zou staan van omstandigheden (ook al is dit een van de wensen die haar in het leven roepen en houden), maar een product. Behalve dat religie vorm geeft aan een beschaving, is zij zelf ook een voortbrengsel van beschaving in haar tijdelijkheid. Religie weet weliswaar tal van verschillende omstandigheden en veranderingen te transcenderen (hetgeen een van haar aantrekkelijkheden uitmaakt: haar waarheid zou eeuwig zijn, ja van en voor alle tijden), wanneer zij echter niet meer adequaat is (zoals eerder de Griekse, Romeinse en Germaanse religies), dan zal zij verdwijnen. Mij lijkt dat dit nu het geval is met christendom, islam en alle andere bestaande religies, en wel omdat ze niet meer van deze tijd zijn. Zij hebben nog slechts verleden, geen toekomst. En dat is niet vreemd, ondanks haar aanspraken op boventijdelijkheid. Een religie is een historisch verschijnsel. Zoals zij ooit is ontstaan, zo zal zij ook ooit plaats maken voor een andere, op dat moment meer adequate versie.

Dat betekent niet dat dit gemakkelijk of snel zal gaan. Zoals een religie een van de langst levende cultuuruitingen is (zoals gezegd, zij transcendeert vele omstandigheden en veranderingen, op korte termijn en zelfs over eeuwen), zo zal ook haar ondergang (indien zij zich niet aanpast) taai en langdurig zijn. Fundamentalismen en orthodoxieën zijn er het dagelijkse bewijs van. Het in stand houden van verouderde vormen gaat evenwel niet vanzelf. Het vergt een forse inspanning, van zelfisolering tot agressieve zelfverdediging. (Je zou kunnen zeggen: hoe fanatieker en gewelddadiger het verzet, des te onmachtiger de religieuze vorm om nog adequaat te reageren op nieuwe omstandigheden.)

Maar dat is geen reden om te wanhopen. Het is slecht voorstelbaar dat religies het eeuwige leven hebben. Zoals ze ooit zijn ontstaan, zo zullen ze ook eindigen. Ook religie is opgenomen in het proces van evolutionaire verandering en mutatie. Zij vervult een functie in het proces dat menselijk leven heet, en iets dat een functie heeft kan verouderen, doordat de omstandigheden wijzigen. Vormen van religie die daarin niet meegaan zijn veroordeeld tot uitsterven. In culturele termen: zij zullen ooit geschiedenis worden.

Een andere reden om niet te wanhopen is dat geen enkel mens als gelovige wordt geboren. Al proberen sommige religies het wel zo voor te stellen, geen enkele baby is in de wieg reeds christen, moslim, jood of hindoe. Religieus is er niets dat genetisch wordt doorgegeven, behalve misschien een sensibiliteit voor het religieuze in het algemeen. De invulling hiervan is volledig een kwestie van vorming. Deze kan eeuwenoude wortels hebben, verbonden zijn met logge grootheden (zoals identiteit) en ingebed in tal van dwingende overtuigingen of idee-fixen, maar die specifieke vorming is daarmee nog niet onvermijdelijk; zij kan ook anders. Existentiële migratie is mogelijk: niemand is veroordeeld tot de religie van zijn voorgeslacht. Het is daarvoor wel nodig dat een alternatief (of alternatieven) beschikbaar is. (En dat is in feite de belangrijkste inzet van dit project: onderzoeken of zo’n alternatief mogelijk is. Soyons irréaliste; demandons le possible!)

dinsdag 26 augustus 2008

Aantek (XI). Leve de taal!

.
Wel, het wonderlijke is, en ik weet niet te zeggen hoe groot deze verwondering is, dat onze kleine Harrie (ruim 2-en-half) een jaar geleden nog nauwelijks een woord sprak en dat we nu ongeveer een gesprek met hem kunnen voeren! Hoe kan dat? Hoe is het mogelijk dat zo’n binkie in zo’n korte tijd het universum van de taal heeft weten binnen te treden en met zo’n grote vaardigheid! Ik kan het haast niet geloven.
Met terugwerkende kracht is mijn verwondering immens toegenomen over de menselijke taal en alles wat daar aan vast zit en uit voortvloeit (zoals denken, geheugen, wereld, cultuur). De werkelijkheid die zich er door ontsluit en de wereld die er door mogelijk wordt. Taal spreiden wij dagelijks tentoon, maar beseffen we wel hoe groots dit gebeuren is! Hoe in woorden te vatten wat woorden zo buitengewoon maakt! Wat een wonder! Wat een briljantie! Wat een mogelijkheden!
Ik ga helemaal mee met de eerbied die de oude Grieken toonden voor datgene wat ons tot mens maakt, namelijk ons verstand (in zeer brede zin, inclusief taligheid, verbeelding, intuïtie, inzicht e.d.). Wij mensen dragen van jongsaf een ongeslepen diamant in ons, en het komt erop aan die diamant te laten flonkeren en schitteren. Dat is wat ons tot mens maakt. Geen zintuig, geen belevenis die er niet door wordt beroerd. Sterker nog, wat zouden ze zijn zonder? (Ik heb weinig met de kritiek van New Age en andere gevoelsgelovigen die zich geroepen voelen om het verstand af te kraken. Zij beseffen niet half hoezeer al - onderstreep al - hun spirituele belevenissen afhankelijk en doortrokken zijn van die magische gift: onze denktaligheid, ons verstand. Een beetje respect a.u.b. voor wat u tot mens maakt en conditio sine qua non is voor al uw ervaringen! Dat u er niet mee weet om te gaan is uw probleem.)
Het is in naam van deze potentie, van die virtuele diamant, dat ik geen genoegen wens te nemen met verstandsverbijsterende praktijken. Zoals manifest in de meeste traditionele religies, met name hun godsdienstige varianten, welke tot zoveel onbegrijpelijke ellende hebben weten aan te zetten. En nog steeds. Het paradoxale is dat ook deze praktijken ondenkbaar zijn zonder verstand. (Van geen enkele diersoort is mij dogmatisme, orthodoxie of godsdienstwaanzin bekend, - of heb ik iets gemist?) Hoe dit onverstandige gebruik van het verstand te verklaren?
Het zou kunnen dat de mensheid millennia lang heeft geleden onder een gift die zij niet wist te hanteren. A toy too dangerous for boys... Het zou kunnen dat de evolutionaire verovering van de geest (als huis van de taal) met kinderziektes gepaard is gegaan die we ongelukkigerwijs in tal van cultuuruitingen en tradities hebben vastgelegd en waar we ons slechts moeizaam van weten te bevrijden. Het zou kunnen dat een flink deel van de cultuurgeschiedenis resultaat is van betovering door de magie van het denken! Het minste krediet dat men de Verlichting zou kunnen toekennen is de zelfkritiek van de menselijke denktaligheid (die je ook ‘rede’ zou kunnen noemen): verlos ons van de zelfbegoocheling door het verstand, om aldus de menselijke rede (en daarmee de mens zelf) in zijn eigen kracht te doen geraken!
Als het al niet duidelijk is waar denktaligheid ons dagelijks toe in staat stelt, dan wordt dat buitengewoon duidelijk in het proces van taalverovering door een kind, komend van niets en gaand naar wat voor ons gewoon is. Een wonder. Ik hoop het nooit te vergeten!
Wat zijn wij mensen briljant! Probeer het eens te bekijken vanuit de positie van een mier, een hond of een kat. Begrijp me goed, het bestaan en de verrichtingen van deze dieren, alle dieren en ook planten, vervullen mij, wederom, met verwondering. Ik heb geen enkele neiging om het niet-menselijke leven te down-graden; integendeel, ik vind het geweldig. Wat een kracht en behendigheid! Wat een schoonheid! Wat een uitbarsting van energie! Maar als dat al zo is, hoeveel te meer dan te denken over de mens!
Okay, ik weet, het is overdreven, maar lyrisch waar: in mijn zoontje is mijn liefde voor het leven oneindig geworden! Amen.

dinsdag 12 augustus 2008

8. Over mijn bezwaren tegen religie

.
[Voortzetting van onderzoek naar de seculiere vraag naar religie. Laatste bijdrage dateert van 8 juli 2007]

Wat zijn mijn bezwaren tegen religie?

Voordat ik op deze vraag inga enkele kanttekeningen bij de vraag:
. 1 Ik heb geen bezwaren tegen religie an sich, maar wel tegen de traditionele religies en met name de godsdienstige variant. (Immers, alle godsdiensten zijn een religie, maar niet alle religies zijn godsdienstig. Duidelijkste uitzondering: Boeddhisme.) Ik zou de vraag naar bezwaren dan ook anders kunnen formuleren: waarom zou ik me niet aansluiten bij een van de bestaande religies?
Er zijn allerlei goede redenen om religie (in brede zin) van vitaal belang te achten voor een bloeiend leven, zowel individueel als gemeenschappelijk. Dat is althans mijn hypothese, een vermoeden. De bestaande religies hebben nadelen, welke door de tegenstanders meestal breed worden uitgemeten (zoals misbruik van goedgelovigheid, patriarchaal, autoritair, onverdraagzaam, opium van het volk etc), maar is dat een reden om religie überhaupt als een achterhaald fenomeen af te serveren? Wordt dan niet het befaamde cliché van kracht, namelijk dat zo het kind met het badwater wordt weggegooid? Met andere woorden: waar is religie goed voor, los van de bestaande invullingen van religie? Kunnen we zonder? We kunnen zonder, maar wat lopen we dan mis? Ik vermoed dat de antwoorden op deze vragen belangwekkend zijn, maar dat is nu even niet het onderwerp.
.2: Het lijkt me zinvol om onderscheid te maken tussen de menselijke conditie enerzijds en de werking van een religie anderzijds. Goedgelovigheid en onkritische naïviteit bijvoorbeeld zijn al te menselijk; waarschijnlijk heeft iedereen er wel korte of langere tijd ervaring mee gehad. Iets anders is wanneer een religie hierop inspeelt, bewust niet aanzet tot een kritisch bewustzijn, of dit zelfs tegenwerkt. Een religie draagt verantwoordelijkheid voor het soort mens dat zij cultiveert.
Dat geldt met name voor zaken die in het midden worden gelaten. In repliek op godsdienstkritiek wordt nogal eens het argument ingebracht met ongeveer de volgende vorm: de kritiek betreft niet de ware godsdienst (christendom, islam etc), maar haar gelovigen; het zijn mensen die er een verkeerde draai aan geven. Wel, dat lijkt mij evident. Vraag is: wordt er in religieuze teksten rekening gehouden met die menselijke draai? En zo ja, wat wordt er dan over gezegd? Wanneer er bijvoorbeeld gedood wordt in de naam van een religie, dan kan men zeggen: dit is tegen de religie, want zij is vredelievend. Vraag is: neemt die religie ook expliciet en nadrukkelijk stelling tegen doden in haar naam? Zo niet, waarop baseert zich dan de claim dat de betreffende godsdienst vredelievend is?
De mens is mogelijkheid. Het is geen natuurgegeven welke aspecten van menszijn worden versterkt, benadrukt, of juist genegeerd dan wel onderdrukt. Religie speelt een belangrijke rol in de vormgeving van de menselijkheid van haar aanhangers.

donderdag 7 augustus 2008

Aantek (X). Levenskunst, een tussenstand

.
Aantekeningen ter voorbereiding op een interview dat ik onlangs had met Maarten Meester voor een boek over religie, spiritualiteit en levenskunst. In het boek wordt de indeling gehanteerd: mensbeeld, moraal, verlossing of verlichting.

Levenskunst
Wat is levenskunst? Definiërend is wat mij betreft de vraag: hoe te leven? Focus: levenshouding, d.w.z. niet wat je doet, maar hoe je wat dan ook doet.
Naast de bestaande religies vat ik levenskunst op als een spiritualiteit. Een seculiere spiritualiteit. (Spiritualiteit opgevat als inspiratie voor een bloeiend, optimaal leven.)
Levenskunst is dan een verzamelterm, handig om je positief te onderscheiden van gelovigen in het publieke domein. (Wie wil door het leven als ‘ongelovige’ of als ‘atheïst’? Beide termen definiëren zich met wat zij afwijzen. Teveel eer voor ‘geloof’ en ‘theïsme’, lijkt me.)
Voor mijzelf functioneert levenskunst voornamelijk als een concept dat staat voor een open verzameling aan opvattingen, oefeningen, visies, etc. Kenmerkend voor hedendaagse levenskunst is haar variatie en individuele invulling.
Zij kent geen vaste rituelen, geen heilige teksten, geen geloofsbelijdenis. Het is juist het aantrekkelijke van levenskunst dat zij een ‘open bron’ is. (Levenskunst is een open source technologie.)
Levenskunst: een familiebegrip. Verscheidenheid aan invullingen. Er is geen eensluidend antwoord op de vraag wat levenskunst is.
Levenskunst vergt van haar beoefenaar een experimenteel ethos. Dit veronderstelt een vertrouwen in de eigen rede, in het eigen vermogen te beoordelen wat er toe doet.
(Het is dan ook zaak voor schrijvers over levenskunst om niet voor een ander te denken. Wat kan ik zelf anders dan voor mijzelf spreken?)
Ben ik een levenskunstenaar? Hangt af van het criterium. Ik ben een levenskunstenaar als daarmee bedoeld wordt: je best doen om een bloeiend leven te leiden.
Je de vraag stellen wat een bloeiend leven is, is onderdeel daarvan.
Het filosofische van levenskunst is het belang van inzicht en dialoog. Inzicht: perspectieven op het leven, onderscheidingen, articulaties. Dialoog, in de eerste plaats met het eigen denken (waarden, opvattingen); en ook: met anderen en met teksten.
Visies van filosofen verrijken mijn perceptie van het leven; zij doen mij steeds meer thuis voelen in het leven.
Filosofie bedrijven is voor mij een veelzijdige oefening in levenskunst. Opvattingen beproeven vat ik op als een levenskunstige oefening, evenals gesprekken voeren, en het lezen en bespreken van teksten.
Andere oefeningen: zitmeditatie en tai chi.
De belangrijkste oefening op dit moment is wellicht het opvoeden van mijn zoontje. Hij is mijn leermeester in speelse openheid, in nieuwsgierigheid, in (her)ontdekken van de wereld, in genieten.

Levenskunst en filosofie
Filosofisch luidt de hedendaagse levenskunst, tezamen met de opkomst van praktische filosofie (zoals filosofisch consulentschap, socratisch gesprek, filosofisch café) een nieuw paradigma in in de geschiedenis van de filosofie. Nadat filosofie in de Oudheid zich welbewust bezighield met de vraag hoe te leven en hoe samen te leven, werd zij in de Middeleeuwen tot ‘dienstmaagd van de theologie’ (focus: het ware geloof) en in de moderne tijd moeder van wetenschappen (focus: zekere kennis). Sinds enkele decennia profileert filosofie zich opnieuw (met name in het publieke domein) als inspiratie voor de vraag naar het goede leven, niet alleen theoretisch (door onderzoek naar opvattingen in het verleden over het goede leven) maar ook praktisch (allerlei filosofische praktijken kunnen worden opgevat als oefening in levenskunst).

Mensbeeld
Wat mij betreft van belang om voor alles in gedachte te houden:
De twee belangrijkste preoccupaties voor alle levende wezens zijn: overleven en voortplanting. Geen enkel levend wezen ontkomt eraan, wil de soort blijven voortbestaan. Dat geldt ook voor mensen, al doen we ons best om dat te verdoezelen. Cruciaal voor mensen is de vraag: hoe op een menswaardige manier te overleven en zich voort te planten. In het beantwoorden van deze vraag toont zich culturele evolutie.

Relevant om mensen in hun gedrag te begrijpen (en ook voor de kwestie van menswaardigheid) zijn (wat mij betreft) minstens de volgende twee noties:

I.
De mens is mogelijkheid: we zijn het minst vastgestelde dier. Hoe iemand wordt, hangt niet alleen af van wat hij er zelf van maakt, maar ook en in de eerste plaats van structuren die hem conditioneren en zijn opties bepalen. (Ik denk dan met name aan economische en politieke orde, rechtssysteem, culturele codes en idealen, en ‘onderliggend’ aan dit alles: een symbolische orde).

II.
De mens is een hartstochtelijk dier.
Vragen, behoeften en verlangens bewegen hem in een streven naar een bloeiend leven. Als organisme wil ieder mens een bloeiend leven, hoe verschillend dat ook mag zijn per persoon.
In dat streven kan hij ook gefrustreerd raken. Dat kan ernstige vormen aannemen: woede, haat, ressentiment.
En niet te vergeten: het verlangen naar erkenning!

Moraal
‘Goed’ en ‘kwaad’ zijn voor mij vage noties. Vooral wanneer men het gaat hebben over ‘het goede’ en ‘het kwaad’. Het zijn voor mij abstracties die me niets zeggen. We worden misleid door de grammatica wanneer we het hebben over ‘het goede’ of ‘het kwaad’ als zelfstandig naamwoord.
In de sfeer van goed en kwaad kan ik wel iets met goedwillendheid en kwaadwillendheid; zij zeggen iets over de houding waarmee iemand in het leven staat. Goedwillendheid is gerelateerd aan een gelukkend leven. Kwaadwillendheid aan een gefrustreerd leven.

Het is zaak om moraal en politiek uit elkaar te halen. Moraal betreft de individuele levenshouding, politiek betreft het geheel, de samenleving. Natuurlijk, ze staan niet los van elkaar, maar je kunt ze wel onderscheiden.
Er wordt vaak over politiek gesproken in morele termen, toegespitst op individuele wederwaardigheden, terwijl de context wordt vergeten; dat levert niet veel meer op dan moralistisch gezeur.

Mogelijk onderwerp. Mijn mening over de oorlog in Irak? Vanuit het gezichtspunt van levenskunst zou ik niet weten wat er over te zeggen.
En als het toch ter sprake zou komen: ik heb nog nooit zo’n stomme blunder gezien, zo’n stupide inschatting van mensen. Het Irakese volk is gratis bevrijd van een dictator. Vervolgens is de hel losgebarsten doordat het land een volstrekt kunstmatige eenheid bleek te zijn. Zoiets als Joegoslavië. Het Irakese volk heeft totaal geen ervaring met democratie. De democratische houding van burgers die nodig is om een democratie te laten functioneren is geheel afwezig, na decennialange dictatuur, en ook daarvoor was er geen sprake van democratie. Hoe kun je dan willen dat Irak opeens een democratie wordt? (Heeft democratische houding iets met levenskunst van doen?)
De enige, voor mij begrijpelijke reden waarom de VS Irak zijn binnengevallen is olie. Een steeds urgentere kwestie: energievoorziening, zeker in het licht van geopolitieke verschuivingen. (Het Pentagon denkt vooruit: stijgende olieprijzen, tja.) Amerika heeft het echter nogal onverstandig aangepakt, to say the least. Het is zeer de vraag of zij over 5 jaar, wanneer de Amerikanen het land uit zijn, de olievoorraden hebben veiliggesteld. China of India zou wel eens de lachende derde kunnen worden.

Verlossing of verlichting
Met ‘verlossing’ heb ik niets; ik zou niet weten waarvan. Evenmin heb ik iets met de uitdrukking ‘het menselijk gebrek’. Het zou goed zijn wanneer de mensheid bevrijd zou worden van de huidige verlossingsreligies; zij stammen uit voorbije, premoderne tijden; dat blijkt uit hun referentiekader, uit hun verbeeldingstaal: die zijn niet meer van deze tijd; een modern-kritisch mens moet zich geweld aandoen om zich er nog door te laten verleiden. (Het wordt tijd voor een nieuwe generatie religies!)
‘Verlichting’ is een vage notie, omgeven met allerlei mystificaties en fantasterijen, omgeven door een aura van uitzonderlijkheid. Alsof er iets heel bijzonders aan de hand zou zijn. De status van ‘verlichting’ (in het Westen) duidt op spirituele genotzucht. Een soort esoterische Efteling. Wat heb je eraan? Misleidend. Nodig: toetsen aan reële ervaringen. Zo niet, weg ermee.
Mijn levenskunstige ideaal zou ik willen aanduiden als ‘opgeruimd gemoed’ en levenliefhebbend leven.
Psychologisch is het ideaal: congruentie. D.w.z. een vruchtbare balans tussen zelfervaring en ik-beeld (zoals door anderen bepaald). Een dynamische notie.
Ik zie de dood als een volstrekt natuurlijk verschijnsel. Ik kan me het leven niet voorstellen zonder de dood.
Angst voor de dood is niet aan mij besteed. Ik zou niet weten waar ik bang voor zou moeten zijn, behalve misschien voor de wijze waarop je dood gaat. De dood zelf is voor mij een niets. Ik ben onderdeel van een levensketen en die gaat door. Zoals ik uit eerder leven ontstaan ben, zo leef ik voort in mijn nageslacht, in cultuur of in de dieren die zich aan mijn dode lichaam te goed doen.