Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

woensdag 13 september 2017

Pleidooi voor filosofie als wijsbegeerte (essay over de toekomst van filosofie)

(Dit essay is eerder verschenen in: 
Anka Fauth (red.), Als de uil van Minerva uitvliegt. Tien praktische filosofen aan het woord. 2017. ISVW Uitgevers, Leusden.)


Inleiding

Filosofie heeft alleen toekomst wanneer zij weer wijsbegeerte wordt. Zo niet, dan verliest filosofie haar hart, en zal verwateren, verworden tot entertainment of gereduceerd worden tot hulpwetenschap.

In dit essay wil ik een pleidooi houden voor filosofie als wijsbegeerte. Daarvoor zal ik eerst aangeven wat haar bedreigt. Vervolgens wil ik drie aspecten noemen die kenmerkend zijn voor filosofie als wijsbegeerte. Verder zal ik aangeven hoe zij in praktijk kan worden gebracht. Om te eindigen met een indicatie van het waartoe: waar is filosofie als wijsbegeerte goed voor?

Wat ik niet zal doen is een inhoudelijke agenda opstellen met onderwerpen. Dat ligt volkomen open. Filosofie is geen actiemachine waaraan kan worden voorgeschreven wat gedacht dient te worden. Waar het in filosofie (opgevat als wijsbegeerte) om te doen is, is niet een bepaald onderwerp noch de kennis van filosofisch gedachtegoed, maar om de manier waarop welk onderwerp dan ook benaderd dient te worden.

In de geschiedenis van de filosofie zijn tal van interessante perspectieven op de menselijke conditie ontwikkeld. Deze perspectieven wil ik zeker niet negeren; integendeel, ik ervaar ze als een verrijking; zij doen mij meer thuis voelen in de wereld! Kennis van de filosofiegeschiedenis vormt een vindgroeve aan mogelijke zienswijzen die goed van pas komt in de omgang met vragen en moeilijkheden die het leven opwerpt. Het kennis nemen en bestuderen van filosofisch gedachtegoed maakt het echter nog niet tot filosofie; je kunt er ook mee omgaan als ideeëngeschiedenis. Wil er sprake zijn van filosofie, dan is er meer nodig. En dat méér wil ik aanduiden als wijsbegeerte; zij vormt het hart van het filosoferen.


Bedreigingen: waar filosofie aan ten onder gaat

Ik weet dat ‘wijsbegeerte’ de vernederlandsing is van ‘filosofie’. Toch, wanneer je alle keren dat er sprake is van ‘filosofie’, het woord zou vervangen door ‘begeerte naar wijsheid’, dan zouden er bizarre, ja ridicule frasen ontstaan. De ‘filosofie van het kabinet’, de ‘filosofie van Trump’, de ‘filosofie van een bank’ of ‘van een organisatie’: heeft dat iets met wijsbegeerte van doen? Kennelijk is er behoefte om willekeurig denkwerk te voorzien van een achtenswaardig label door het te benoemen als ‘filosofie’. Maar wie schiet daar iets mee op?

Behalve deze woordinflatie, zijn er twee tendensen die het beeld van filosofie fors dreigen te vertekenen. Ten eerste is er de versnacking van filosofie. Filosofie moet als hapklare brokken opgediend kunnen worden, en wel zo snel mogelijk: ‘Vernieuw je denken’ in een dagdeel; een uurtje stoa; een socratisch gesprek in een half uur; een stoomcursus ‘hoe word ik een existentialist’. De suggestie wordt gewekt dat een quick-fix mogelijk is. Echter, heeft het zin om dan van filosofie te spreken?

Wijsbegeerte is en blijft een zaak van lange adem. Het oefenen houdt nooit op, zoals ook de zorg voor het zelf nooit ophoudt. Met de filosofische snack wordt de filosofie geprostitueerd, omwille van het snelle geld en om lafhartig te voldoen aan de eisen van marktdenken en media. Filosofie dreigt te verworden tot entertainment voor mensen die hun onnadenkendheid van een schaamlap willen voorzien door zich in hun drukke agenda een denkmomentje te gunnen. Maar wat heeft dat met wijsbegeerte te maken?

De andere tendens speelt zich af in de academische filosofie en heet ‘analytische filosofie’. De laatste decennia raakt ook de Europese filosofie ervan in de ban. Erger nog: filosofie lijkt ertoe gereduceerd te worden. Zeker, logica, denkexperimenten en conceptuele analyse zijn belangrijke instrumenten in de beoefening van filosofie, maar waartoe? Met het oog waarop worden deze instrumenten ingezet? Een menswaardig leven? Een humane samenleving? Zoals de filosofie in de Middeleeuwen dienstmaagd was van de theologie, zo is de analytische filosofie hulpje geworden van de wetenschap, en meer niet. Wanneer je ‘filosofie’ vervangt door ‘wijsbegeerte’, dan is het wijsgerige gehalte doorgaans ver te zoeken in de analytisch filosofische verhandelingen. Het wordt tijd om filosofie opnieuw te laten bloeien als wijsbegeerte, in plaats van haar in de uitverkoop te doen als cerebrale gymnastiek in dienst van wetenschap. 


Aspecten van wijsbegeerte

Waar hebben we het over? Wanneer is filosofie wijsbegeerte? Laat ik drie aspecten noemen, waarzonder geen sprake is van wijsbegeerte: zij is dialogisch; zij is kritisch; en zij is existentieel relevant.

Existentieel relevant

Filosofie als wijsbegeerte is mensbetrokken. Vragen zijn geen willekeurige vragen, maar vragen voor een mens. Anders dan in wetenschap, staat in wijsbegeerte niet kennis voorop, maar levensbetekenis. Wat heeft een situatie of een gebeurtenis te betekenen voor mij als mens? En datzelfde geldt voor kennis: wat is de existentiële relevantie ervan? Wetenschap doet onderzoek naar iets voorbij de menselijke betrokkenheid erbij. Zij kan onderzoeken wat de vernietigende kracht is van een explosief zonder zich af te vragen of wij dat effect ook voor onze rekening willen nemen. Zij kan onderzoek doen naar de werking van de hersenen zonder zich af te vragen wat de morele implicaties ervan zijn. Wijsgerig ben ik juist wel geïnteresseerd in wat iets voor mij als mens te betekenen heeft. Wat is de zin van een bepaalde actie of kennis? Wat zijn consequenties ervan voor ons zelfverstaan? Welke waarden zijn in het geding?

Wijsbegeerte thematiseert menselijke betrokkenheid. Geen gratuite gewichtigdoenerij. Geen denkspelletjes over zaken die mij verder niet aangaan. Er is sprake van wijsbegeerte wanneer denken een verschil maakt in het leven van degene die zich eraan wijdt. Zij is van existentieel belang: door wijsgerig te denken zet ik mijzelf op het spel. Wanneer ik denk over de menselijke conditie, dan betreft het mij, als mens. Het gaat mij aan. Ik denk omdat het leven mij te denken geeft, en ik wil weten hoe het zit.

Als oervader van de filosofie wordt vaak verwezen naar Socrates. Hij was geen veredelde docent die alleen bezig was zijn gehoor te onderwijzen, noch een trainer avant la lettre die bij anderen iets teweeg wilde brengen. Socrates werd eerst en vooral zelf gedreven door een passie voor waarheid, en in dat onderzoek nam hij anderen mee, wilde met hen iets uitzoeken, en stimuleerde al doende ook bij hen een passie voor waarheid. (1) Denken achtte hij van levensbelang, omdat we anders speelbal zijn van onze omstandigheden of van heersende vanzelfsprekendheden. Door na te denken kunnen we zorg dragen voor het welzijn van de eigen ziel, zoals hij het noemde. Kortom, wijsbegeerte maakt een verschil, omdat wel of niet nadenken een verschil maakt in hoe we leven.


Kritisch

Wijsbegeerte is kritisch, in de zin van onderscheidend. Met name door onderscheidingen aan te brengen in wat zich anders voordoet als een kluwen of als wirwar aan mogelijkheden. Een voorbeeld hiervan is eerder de revue gepasseerd: door filosofie als wijsbegeerte te onderscheiden van andere opvattingen van filosofie. Onderscheidingen zijn niet waardevrij; integendeel: zij voeren juist waarden in waar deze eerst ontbraken en stellen in staat tot evaluatie van een stand van zaken (in ons geval: de wijze waarop filosofie wordt beoefend). Door redenen te geven voor een bepaald onderscheid wordt de mogelijkheid geopend voor discussie en verdergaand onderzoek.

Wijsbegeerte is ook kritisch in de zin dat gangbare meningen en heersende opvattingen niet voor lief worden genomen, maar nader onderzocht. Een belangrijke filosofische vraag is dan ook: is dat zo? Het is begrijpelijk dat in het dagelijks verkeer vanzelfsprekendheden een grote rol spelen. Het wordt lastig wanneer we bij alles wat gezegd wordt een vraagteken zetten. Filosofie is de gelegenheid om dat wel te doen.

In de socratische methode wordt gesproken van het eigen ‘waarheidsgevoel’. Wat maakt dat we met een bewering instemmen? En wat maakt dat we ons afvragen of het wel klopt wat iemand zegt? Beide zijn uiting van ons waarheidsgevoel. Het is mogelijk dat we nog niet precies weten waarom we dat gevoel hebben, het vergt misschien een zoekend en tastend denken om dat helder te krijgen, maar we hebben dat gevoel al wel. In wijsbegeerte wordt het eigen waarheidsgevoel voluit serieus genomen. De twijfel mag er zijn, wordt welkom geheten. Vertrouwen krijgen in het eigen waarheidsgevoel is cruciaal voor het ontwikkelen van kritische zin en ligt aan de basis van individualiteit. Het getuigt van een wijsgerige houding wanneer we de bereidheid hebben om onvanzelfsprekend te laten worden wat we eerder dachten te weten of apprecieerden.


Dialogisch

Tenslotte het dialogische aspect. Ik doel daarmee niet zozeer op de praktijk van het voeren van gesprekken, maar op het doorbreken van het monologische van het dagelijkse denken. Wijsbegeerte betekent dat ik in dialoog ga met mijn eigen denken, me afvraag wat mijn uitgangspunten zijn, mijn waarden, mijn opvattingen over deze of gene kwestie. Kan ik hen handhaven, of verdienen ze bijstelling? Dat is de eigenlijke dialoog. Zonder deze betrokkenheid op het eigen denken is er überhaupt geen sprake van filosofie.

Dit zelfgesprek blijkt echter tamelijk lastig. Het is moeilijk om louter denkend stil te blijven staan bij de eigen wijze van denken. Gedachten glippen gemakkelijk weg. Wat kan helpen is om via een gesprek met een ander in dialoog te gaan met het eigen denken. Ten eerste omdat een gesprek uitnodigt om mijn gedachten te veruiterlijken: ik hoor mezelf iets zeggen. Met eventueel de vraag: is dat kennelijk wat ik denk? Ten tweede maak ik iemand deelgenoot, wat een doorbreking kan betekenen van de vanzelfsprekendheid die de gedachte voor mij heeft. En ten derde kan de ander fungeren als kritische spiegel: de ander merkt iets op wat aan mijn aandacht is ontsnapt of zet er een vraagteken bij.

Zoals gezegd blijft nadenken over het eigen denken lastig. Behalve het gesprek is een ander hulpmiddel: ‘hardop’ denken op papier. Het weerwoord van de ander ontbreekt, maar de veruiterlijking van het eigen denken in het schrijven heeft als voordeel dat ik rustig kan kijken naar wat ik kennelijk denk.

Verder is er de kennismaking met het gedachtegoed van filosofen als stimulans voor de primaire dialoog. Vaak wordt filosofie voorgesteld als kennismaking met grote denkers: wat hebben zij te zeggen? Echter, als het hierbij blijft, is er nog geen sprake van filosofie. Wat dan ontbreekt is de betrokkenheid op het eigen denken. Dit vergt een dialogische lezing van teksten. (Hierover later meer.)


Wijsbegeerte in praktijk

Wijsbegeerte vergt oefening. In de Oudheid was je geen filosoof vanwege de ideeën die je erop nahield, maar omdat je manier van leven wijsgerig was. (2) En die manier van leven werd gevoed door oefeningen. Dat is niet veranderd. Wie filosofie (opgevat als wijsbegeerte) tot onderdeel van zijn leven wil maken, kan niet zonder oefening.

Hedendaagse oefeningen zijn bijvoorbeeld de diverse gespreksvormen die zijn ontwikkeld in praktische filosofie. Ik denk aan het filosofisch café, het socratisch gesprek en het filosofisch gesprek zoals dat vorm heeft gekregen in het filosofisch consulentschap. Maar er zijn er meer. Het betreft vooral gespreksvormen die de gelegenheid bieden om het eigen denken te onderzoeken, om misverstanden en verwarring op te helderen en om opvattingen, waarden en parti-pris te bevragen, eventueel bij te stellen. Het is nu niet de gelegenheid om op deze gespreksvormen uitgebreid in te gaan. Er bestaat ondertussen de nodige literatuur over. (3)

Om de drie aspecten van filosofie als wijsbegeerte (te weten existentieel relevant, kritisch en dialogisch) te cultiveren is het aantal oefeningen in principe eindeloos. Ik wil nog kort stilstaan bij twee oefeningen waar ik zelf veel aan heb, namelijk het wijsgerig lezen van teksten en meditatie.


Wijsgerig lezen

In praktische filosofie bestaat de neiging om alles te verwachten van het ‘zelf nadenken’, alsof het voldoende is om zichzelf en elkaar te bevragen. Mij lijkt dit een beperkte visie. Ik leer veel van filosofen en andere auteurs. Niet alleen voeden zij mijn denken met gezichtspunten waar ik zelf niet op zou komen; ook scherpen ze mijn eigen denken, juist door het te provoceren en door mijn eigen ‘ongedachte’ zichtbaar te maken: aannames die ik voor lief neem, maar die allerminst vanzelfsprekend blijken te zijn. Daarom hecht ik eraan om iets te zeggen over ‘wijsgerig lezen’.

Wat behelst een wijsgerige lezing van teksten? Het betreft niet zozeer het soort teksten dat ik lees, maar de houding waarmee. En een filosofische tekst biedt geen garantie. Ook zij kan op een heel onwijsgerige wijze worden gelezen. Bijvoorbeeld door louter te focussen op de ideeën van de schrijver, op de opbouw van het betoog of op de strekking ervan. Een wijsgerige lezing van een tekst ligt in het verlengde van de eerdergenoemde elementen: existentieel relevant, dialogisch en kritisch.

Wijsgerig lezen betekent dat ik in dialoog ga met een tekst. Of dit gebeurt, ligt niet aan het boek, maar aan mij. Wanneer ik louter afstem op het denken van de ander, zal ik zelf buitenspel blijven. Het is als een interviewer die slechts geïnteresseerd is in de opvattingen van de geïnterviewde: het zwaartepunt ligt eenzijdig bij de ander. Een tekst kan mij provoceren tot nadenken; ik kan mij laten bevragen door een tekst; zij kan mij op andere gedachten brengen of mij anders doen denken over mijn eigen queeste, mits ik ervoor opensta en mits ik mij iets aantrek van de vragen, ideeën en argumenten die worden gepresenteerd.

Dat geldt ook andersom: een weerwoord is mogelijk. Wanneer ik in gesprek ben, zijn er altijd twee partijen, en er is pas sprake van een gesprek, wanneer beide partijen evenwaardig aan het woord komen (zo niet, dan is er sprake van een interview of een hulpgesprek). Dat kan ook bij het lezen van een boek: de schrijver spreekt tot mij, en wanneer dat maakt dat er bij mij een reactie opkomt, in de vorm van een vraag, een opmerking of een (al dan niet kritische) kanttekening, dan kan dat mij aanzetten tot denken of schrijven. Kortom: ik breng mijzelf in het spel. Dialogisch een boek lezen gebeurt dus niet door het uitschakelen van wat ik zelf vind bij het lezen, maar juist in te schakelen. Of minstens: ruimte geven aan wat er bij me opkomt.

Door een boek wijsgerig te lezen, probeer ik niet alleen een auteur te begrijpen; óók blijft de vraag wat ik door het lezen van een tekst zelf wijzer word over menszijn, en dus over mijzelf en de wereld waarin ik leef.

Eerlijk gezegd heb ik tijdens mijn studie filosofie nauwelijks geleerd om op een wijsgerige wijze teksten te lezen. Waarin ik werd geoefend, was een academische benadering: wat heeft de filosoof te zeggen? Hoe verhoudt de tekst zich tot andere teksten van dezelfde filosoof? Hoe reageert hij op eerdere filosofen? Welke rol spelen omstandigheden, inclusief cultureel-maatschappelijke? Dit alles kan veel interessants opleveren, maar het is daarmee nog niet van wijsgerig belang. Een wijsgerige lezing van een tekst gebeurt pas wanneer ik mijn eigen waarheidsgevoel er actief in betrek en wanneer ik bereid ben om mijzelf door de ontmoeting met de tekst te laten veranderen.

Twee hulpmiddelen ter bevordering van wijsgerig lezen zijn de leesgroep en schrijven. Wat betreft de leesgroep: weten dat de eigen leeservaring tot onderwerp van gesprek kan worden werkt als een uitnodiging om expliciet te letten op de vragen en kanttekeningen die het lezen van de tekst oproept. Bovendien kan de eigen leeservaring worden getoetst aan die van anderen. De dialoog met de tekst wordt zo tot een intersubjectief gebeuren.

‘Hardop’ denken op papier kan ook een hulpmiddel zijn. Opschrijven wat opkomt bij het lezen van een tekst: vragen, invallen, kanttekeningen, etc. ‘Tijd winnen door tijd te nemen’, zoals een docent het ooit verwoordde. Wanneer ik tijdens het lezen de tijd neem om iets te doen met hetgeen de tekst in mij oproept, maak ik het eigen waarheidsgevoel vruchtbaar en verhinder ik dat ik al lezend mijzelf monddood maak.


Meditatieve praktijk

Ongeveer zolang als ik aan filosofie doe, doe ik ook aan zitmeditatie. Ik ervaar deze oefening als een belangrijk ingrediënt in het proces van bewustwording, zowel naar mezelf toe, als in de interactie met anderen.

Het is jammer dat vanuit de reguliere filosofie nog vaak met scheve ogen wordt gekeken naar zitmeditatie en aanverwante oefeningen. Dit wijst op een identificatie van filosofie als een theoretische activiteit. Wanneer filosofie evenwel wordt opgevat als wijsbegeerte, dan ligt het meer voor de hand om ook aandacht te besteden aan oefeningen, inclusief meditatie.

Meditatie oefent in het gewaarzijn van het eigen denken en voelen. Het gaat er dan niet zozeer om wát er inhoudelijk in mij omgaat en om dat dan verder uit te werken, maar om te constateren dát er iets in mij omgaat. Meditatie creëert ruimte waardoor ik merk wat ik denkend en voelend aan het doen ben, waardoor ik er niet per se mee samenval.

Dit gewaarzijn heeft zo zijn voordelen. Bijvoorbeeld dat ik merk dat ik weer op een van mijn stokpaardjes ga zitten. Het wordt dan gemakkelijker om er weer af te stappen. Ook helpt het om te constateren in welke denkschema’s ik gevangen zit. Deze bewustwording is een eerste stap om er afstand van te nemen, mocht dat nodig zijn. Door meditatief ruimte te maken, kunnen denkfixaties worden ontstold en kunnen sterke opvattingen worden ontdaan van hun neiging tot verabsolutering. Sowieso heeft oefening in gewaarzijn als voordeel dat ik blijf beseffen dat ik méér ben dan ik denk.


Waartoe filosofie als wijsbegeerte?

Waar is dit alles goed voor? Heeft het enig nut om zich in te laten met filosofie opgevat als wijsbegeerte? Laat ik enkele punten aanstippen.

De vraag naar zin en betekenis verwijst naar degene die zich de vraag stelt: een mens. Bestaat er wel zin en betekenis buiten degene die ernaar vraagt? Wat het antwoord ook mag zijn, feit blijft dat wij mensen de enige levende wezens zijn die zich de vraag stellen. Kennelijk kunnen we niet om de vraag naar zin en betekenis heen, en wijsbegeerte geeft vorm aan deze behoefte.

We leven in een tijd en cultuur waarin we geacht worden zelf keuzes te maken en een eigen oordeel te vormen over morele en levensbeschouwelijke kwesties. Hoe komen we tot een eigen opvatting over wat een zinvol leven is, over juist handelen en over wat rechtvaardig is? Daar komt nog bij dat we leven in een cultuur die vooral diversiteit te bieden heeft, ook in antwoorden op existentiële vragen. Hoe hierin te kiezen? Hoe zelf uit te maken wat goed of waar is? Wie of wat betrekken we in dit onderzoek? (4) Voor deze en soortgelijke vragen is een wijsgerige benadering onmisbaar, juist omdat wijsbegeerte mensbetrokken is en zich bekommert om existentiële relevantie.

Wat kan filosofie als wijsbegeerte bewerkstelligen waardoor zij geschikt is voor bovengenoemde taken? Laat ik enkele punten aanstippen, zoals die voor mij gelden:
. Het aanscherpen van onderscheidingsvermogen, met name door te leren uit ervaring en door zich af te vragen wat de relevantie is van opgedane kennis. Vanouds wordt onderscheidingsvermogen gezien als onmisbaar voor het ontwikkelen van praktische wijsheid, en er is geen reden om daar nu anders over te denken.
. Het ophelderen van verwarring, en aldus werken aan een opgeruimd gemoed. Verwarring presenteert zich vaak als onontwarbare kluwen, maar dat hoeft niet zo te blijven. En het vruchtbaar maken van verwarring zou weleens dicht in de buurt kunnen komen van wijsheid.
. Het ontwikkelen van een kritisch bewustzijn, nodig voor een gezonde individualiteit en om niet onnadenkend speelbal te zijn van omstandigheden. Uitgangspunt voor deze ontwikkeling is het eigen waarheidsgevoel.

Hiermee kan filosofie bijdragen aan een bloeiend leven en aan de wording van een vrije geest. Wijsbegeerte vat ik dan ook op als een vrijheidspraktijk. Anders gezegd: filosofie is belangrijk voor het hooghouden en cultiveren van menswaardigheid, zowel op het persoonlijke vlak als cultureel-maatschappelijk, en wel door zich kritisch te verhouden tot welke gevestigde waarheid of praktijk dan ook, met de vraag of zij aan de belofte van menszijn beantwoorden. Filosofie heeft misschien geen nut, in de zin dat zij prestaties bevordert of opbrengsten verhoogt, maar zij is wel zinvol, in zoverre zij de ongeneeslijk menselijke vraag naar zin en betekenis adresseert.

Over al deze punten valt nog veel te zeggen.


Tot slot

In dit essay heb ik een pleidooi willen houden voor filosofie als wijsbegeerte. Filosofie is meer dan dat, maar als de wijsbegeerte ontbreekt, dan ontbreekt het hart van welke filosofische onderneming dan ook. Wil de filosofie toekomst hebben, dan zal zij niet moeten vergeten wat haar bijzonder en noodzakelijk maakt. Ik heb mij niet willen uitspreken over onderwerpen die op de agenda van filosofen zouden moeten komen te staan. Elke situatie, zowel persoonlijk als cultureel-maatschappelijk, zal haar eigen vragen oproepen. Mij gaat het om de benadering van welk vraagstuk dan ook, wil er sprake zijn van filosofie: een wijsgerige houding.


NOTEN:
.1.: Voor passie voor waarheid bij Socrates, zie Foucault (2011)
.2.: Zie het werk van Pierre Hadot, m.n. ‘Filosofie als manier van leven’
.3.: Zie voor meer informatie de literatuurlijst.
.4.: Zie ‘Bronnen van het zelf’ waarin Charles Taylor de ontstaansgeschiedenis van het moderne zelf onderzoekt.


LITERATUUR:
. Boele, D., The Training of a Philosophical Counselor. In: Ran Lahav and Maria da Venza Tillmanns (ed.), Essays on Philosophical Counseling. University Press of America, Lanham, 1995.
. Boele, D., The “Benefits” of a Socratic Dialogue. Or: Which Results Can We Promise? In: Inquiry. Critical Thinking Across the Disciplines. Spring 1998. Vol. XVII, No 3.
. Boele, D., Het socratisch gesprek. Een oefening in levenskunst. In: Olga Crapels & Edgar Karssing (red.), Filosoof in de praktijk. Van Gorcum, Assen, 2000.
. Boele, D., Bij wijze van gespreksleiding. Over visieontwikkeling, zich inleven en levenskunst. In: J. Delnoij en W. van Dalen (red.), Het socratisch gesprek. Damon, Budel, 2003.
. Boele, D., Une autre façon de philosopher. In: Eugène Calschi (dir.), Philosopher au café. 3e Colloque international. Ouverture et recherche de sens. La Gouttière, 2003.
. Boele, D., Opgeruimd gemoed. In: Prana, tijdschrift voor spiritualiteit en randgebieden der wetenschappen. Nummer 142, april/mei 2003/2004. 29e jaargang nr 4.
. Boele, D., Openbaar filosofisch spreekuur in het café. Een goed gesprek over gezonde problemen. Deviant. Tijdschrift tussen psychiatrie en maatschappij. Nummer 43. Jaargang 11. December 2004.
. Boele, D., Socratisch gesprek. In: Wouter van de Graaf, Mark Janssen, Heinz Mölders (red.), Versterkende gesprekken. Van monoloog naar dialoog en multiloog. Emancipatoire gesprekken rond zorg en welzijn. Tobi Vroegh, Amsterdam, 2012.
. Delnoij, J. en W. van Dalen (red.), Het socratisch gesprek. Damon, Budel, 2003.
. Foucault, M., De moed tot waarheid. Het bestuur van zichzelf en de anderen II. Colleges aan het Collège de France (1983 – 1984). 2011. Boom, Amsterdam.
. Hadot, P., Filosofie als een manier van leven. Ambo, Amsterdam, 2003.
. Hadot, P., Oefeningen van de geest. Het antieke denken en de kunst van het leven. Ambo, Amsterdam, 2005.
. Kessels, J., Socrates op de markt. Filosofie in bedrijf. Boom, Amsterdam, 1997.
. Kessels, J, E. Boers, P. Mosterd, Vrije ruimte. Filosoferen in organisaties. Boom, Amsterdam. 2002.
. Nelson, L., De socratische methode. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 1994.
. Taylor, C., Bronnen van het zelf. Lemniscaat, Rotterdam. 2007.



Over de auteur:

Dries Boele studeerde aan enkele kunstacademies en vervolgens filosofie in Amsterdam en Parijs. Hij is vanaf 1983 betrokken geweest bij de ontwikkeling van praktische vormen van filosofie. Sinds 1990 werkzaam als praktiserend filosoof, in en buiten Nederland, m.n. filosofisch consulentschap, socratische gesprekken en dilemmatrainingen. O.a. voor Nijenrode University, Amsterdamse politie, artsen, gevangenen, managementteams en diverse onderwijsinstellingen. Daarnaast geeft hij leesgroepen en cursussen, m.n. filosofie van de levenskunst. Ook als filosofische vakantie, o.a. in Zuid-Frankrijk, Griekenland en bij de ISVW (Leusden). Hij verzorgt een training voor socratische gespreksleiders en doet onderzoek naar filosofie met het oog op levenskunst en samenleving. Sinds 1994 leidt hij een filosofisch café in Amsterdam.

Drs Dries Boele, Spaarndammerplantsoen 108, 1013 XT Amsterdam, 020-6867330

Email: driesboele@wxs.nl   Website: http://home.kpn.nl/boele097

zaterdag 22 juli 2017

Wat is het bovennatuurlijke? Iets anders dan wat je denkt?

Wat is het bovennatuurlijke? Is het een andere werkelijkheid dan de onze? Leven wij in een natuurlijke werkelijkheid en is er dan ook nog een andere?

Of is het bovennatuurlijke een wereld waarin we verkeren wanneer we niet vanuit de dagelijkse werkelijkheid leven? – maar in gedachten, bijvoorbeeld, of in een wereld van mogelijkheden, zonder contact te maken met wat werkelijk is.

Het bovennatuurlijke is een wereld voor ons, dat wil zeggen: voor ons als denkende wezens. Een wereld die nooit werkelijkheid wordt, omdat we gevangen zitten in een web van woorden en verwijzingen. Een wereld waarin alles een denkgestalte aanneemt, - een denkgestalte die we voor de werkelijkheid houden.

En met een beetje filosofische scholing zullen we zeggen dat die wereld nooit de ‘echte’ wereld zal zijn, nooit de ‘wereld op zich’, aangezien we het altijd zullen moeten doen met een wereld zoals zij ‘voor ons’ is. We kunnen immers nooit uit de door onszelf gesponnen cocon van het denken breken, - althans, wanneer je jezelf voluit identificeert met je denkende ik en slechts dat voor werkelijk houdt wat je ook kunt denken.

Inderdaad, leven in een dergelijke wereld is het bovennatuurlijke in hoogsteigen persoon. Het is existentiële vervreemding die in zichzelf is gaan geloven.

Hoe dit geloof te herkennen?

Wanneer iemand zijn denken fors belangrijker acht dan de zintuiglijkheid van het lijfelijke bestaan, dan is de kans groot dat je met een bovennatuurlijk geloof te maken hebt. (Filosofisch gesproken: de ‘ware werkelijkheid’ versus de ‘zintuiglijke werkelijkheid’. Oftewel: de werkelijkheid van waarheden, - anders dan de werkelijkheid van de zinnen.)
Of wanneer iemand niet zonder een definitie kan (en het liefst met bewijs) van zijn grootste houvast in het bestaan.
Wanneer iemand zwijmelt over het 'mysterie van het bestaan' puur en alleen omdat er iets blijkt te zijn dat ontsnapt aan zijn denken.
Wanneer iemand praat over lijden als ware het een denkmogelijkheid waarvoor een 'redelijke' oplossing gevonden dient te worden.
Wanneer iemand praat over ‘structuren’ in de werkelijkheid, als zou er heil van te verwachten zijn, zoals partijideologen ‘structuren’ proberen op te zetten om een ver-van-hun-bed-show onder controle te krijgen en macht te behouden over de dagelijkse veranderingen.
Wanneer iemand praat over ‘lust’ met de diepte van een gedachte.

Ook wanneer iemand het over de ‘natuur’ heeft als iets waar hij zelf niet bij hoort, of slechts ten dele: dan is het zeker dat het bovennatuurlijke voor hem een realiteit is; hij meent ervanuit te denken en te spreken.

Wanneer iemand het over ‘liefde’ heeft als iets goddelijks, - hetgeen impliceert dat het eigen zinnelijke bestaan er een van liefdeloosheid is. Hetzelfde geldt voor degene die meent dat ‘God goed’ is; ook dit impliceert het een en ander over het niet-goddelijke bestaan.

Wanneer iemand meent niet zonder geestelijk houvast te kunnen, dan is het bovennatuurlijke niet ver weg, - en dat geldt ook voor ideeën.
Wanneer iemand meent dat er niets zou zijn zonder God, dan geeft hij daarmee te kennen dat hij niet in staat is te genieten van het feit te bestaan. In zijn armzalige geest (want vervreemd van zijn lichamelijkheid) zoekt hij bodem in de absolute uitvergroting van diezelfde geest, dan ‘God’ geheten. Oftewel: God als het ultieme bewustzijn.
Wanneer iemand over de ‘dood’ praat als het grote kwaad, dan weet je dat hij zich denkend buiten het natuurlijke leven plaatst.
Wanneer iemand ‘zin’ tot een bovennatuurlijke aangelegenheid maakt (als zijnde ‘afhankelijk van God’), dan weet je dat hij vooral in zijn hoofd leeft en dat dat hoofd zich heeft losbewogen, geabstraheerd van de rest van zijn lijf.
Wanneer iemand alles via God laat lopen, dan weet je dat hij bezeten is van denken en het zelf niet doorheeft.
Wanneer iemand zijn sterfelijkheid prijst om niet onderworpen te hoeven zijn aan ‘eeuwig lijden’, dan weet je: ik heb te maken met iemand met een dodelijke afwijzing van het leven en dus van zichzelf.
Wanneer iemand genietingen als een ‘troost’ voorstelt, dan weet je dat je met een verwrongen geest van doen hebt.

Geloof in het bovennatuurlijke is een misvorming als gevolg van zelfopsluiting van de geest. Hij probeert alles om te ontsnappen aan zichzelf, maar zoekt de oplossing in de verkeerde richting: nog meer geest, - oftewel: het bovennatuurlijke. (En er bestaat zeker ook een seculiere versie van het 'bovennatuurlijke'! Zij wordt met name gecultiveerd in filosofie.)

Het geloof in het bovennatuurlijke geeft permissie om te ontsnappen aan het 'gezonde verstand'.
Inclusief denken in termen van louter mogelijkheden, ontdaan van elke realiteitszin.
Inclusief omkeringen: het toeval, als wat ons toevalt, wordt tot noodzakelijkheid, ons door God genadevol toebereid, zodat de vraag naar het waarom ontsnapt aan onredelijkheid.
Inclusief totaliseringen: de openheid en de grootsheid van het leven wordt opgesloten in een geestelijke kerker, goddelijke voorzienigheid geheten, zodat alles zijn plaats en bestemming heeft, in een grote, allesomvattende afstemming, - wat een gebrek aan vertrouwen! Wateen angst!
Inclusief wensdenken: er moet wel een orde zijn (ook al is die voor ons onkenbaar), omdat het anders erg onrechtvaardig zou zijn wat er allemaal gebeurt.
Inclusief immense uitvergrotingen: kwalijke praktijken en boosaardige daden worden bijeengeveegd tot ‘het kwaad’, - bizar eigenlijk dat het denken van zichzelf niet ziet hoe het slachtoffer is van de grammatica: is er iemand (behalve Plato) ooit op de gedachte gekomen dat er zoiets moet bestaan als ‘het groen’ aangezien er zoveel dingen groen zijn? Hoe kan het dan dat er mensen zijn die wel geloven in ‘het goede’ en in ‘het kwaad’? (En wanneer ‘het kwaad’ bestaat, heeft het uiteraard ook een 'wezen'...)

De wegen van de menselijke zelfbegoocheling zijn verrassend en potsierlijk. Het zou een geweldig spektakel zijn, een dagelijkse soap, en een oneindige bron van vermaak en zelfspot, ware het niet dat die zelfbegoocheling zoveel ellende aanricht. Denk aan gewetensconflicten en scheuringen binnen families tot en met inquisities (middeleeuws en modern) en oorlogen tussen andersdenkenden.

Geloof in het bovennatuurlijke een onschuldig bijverschijnsel van onze culturele evolutie? Was het maar zo. Helaas lopen er nog te veel clowns rond die hun eigen spelletje voor de ware werkelijkheid houden. Nog erger is het wanneer zij niet alleen hun spelletje voor de waarheid houden, maar er zozeer van genieten dat zij het ook anderen gunnen, ja, het hen willen opdringen. En als niet goedschiks, dan maar met argumentatief geweld. (Een voorbeeld van verwrongen lichamelijkheid: de neiging tot genieten blijft opspelen, zij het in vergeestelijkte vorm.)

Uiteindelijk ontkomt het geloof in het bovennatuurlijke niet aan een poging tot machtsgreep. Uit genotzucht. Geestelijk genieten doe je samen. Het enige dat daarvoor nodig is, is onzekerheid en goedgelovigheid. Ook helpt ontzag voor onnavolgbare redeneringen. Wie niet snapt wat hem gezegd wordt, zal dan uiteraard niet twijfelen aan de oprechtheid van de boodschapper of aan het (on)zinnigheidsgehalte van wat gezegd wordt, maar zal twijfelen aan zijn eigen begrip. En aangezien het bovennatuurlijke tegelijk het rijk is van oneindige mogelijkheden, ook aan troost en hoop op liefde, zal het vervolgens weinig moeite kosten om een dolende ziel te vangen. Halleluja!

Conceptueel gezien is het belangrijkste bezwaar tegen het 'bovennatuurlijke' de minderwaardige opvatten van 'natuur' die is geïmpliceerd. Als zou de 'natuur' slechts iets materieels zijn, een vehikel voor hoogwaardiger zaken, zoals geest, ziel, e.d., samengevat als 'bovennatuurlijk'. Vanwaar deze scheiding? Ik zie geen enkele goede reden om het materiële af te zonderen van het geestelijke? Natuur omvat beide, en dus is er geen noodzaak om een aparte categorie, het 'bovennatuurlijke', in het leven te roepen.

Degenen die geloven in een bovennatuurlijke werkelijkheid verdedigen zich door een wereld zonder als mager, kaal of kil af te schilderen (want louter 'materieel' etc). Dit verwijt, echter, betreft alleen de eigen aannames. Door alles wat je aan het 'bovennatuurlijke' toeschrijft aan de 'natuur' te onttrekken, hou je inderdaad een sterk uitgeklede 'natuur' over, nl ontdaan van wat wat wij associëren met 'geest', 'ziel' en 'spiritualiteit'. Er is evenwel geen enkele noodzaak om deze reductie toe te passen. De 'natuur' opgevat als alles wat bestaat, inclusief geest etc, heeft het 'bovennatuurlijke' niet nodig. Het is namelijk niets, en in het beste geval een uitkomst van zelfvervreemding, want teveel 'hoofdzaak'.

Er zit ook een voordeel aan het 'bovennatuurlijke', namelijk als aanduiding voor het niet-samen-vallen met een gegeven werkelijkheid. Er valt aan te ontsnappen. Bijvoorbeeld: door er 'nee' tegen te zeggen, door zich kritisch op te stellen, door initiatieven te nemen en iets in gang te zetten dat nog niet het geval is. Vrijheid dus. Ik zie niet waarom dit niet ook deel uit zou maken van de natuur, en met name de menselijke natuur. Maar goed, mocht je er om pedagogische of morele redenen speciale aandacht willen besteden, als iets buitengewoons en bijzonder de moeite waard (want belangrijk voor een menswaardig bestaan), en het daarom anders zou willen benoemen, okay. Echter, is dat een reden om het ook een andere ontologische status toe te kennen, als zou het in werkelijkheid iets anders zijn dan het bestaan waaraan wij dagelijks deelhebben? En als het die suggestie wekt (met alle vervreemdende uitwassen van dien), is 'bovennatuurlijk' dan wel zo'n handige term?

donderdag 13 juli 2017

‘Er zit geen gat in de werkelijkheid.’ Onderzoekje naar eenheidservaring en andere staten van geest

Is de werkelijkheid één? Lange tijd kon ik weinig met het begrip ‘eenheid’. Ik begreep dat dualisme niet deugde (zoals het geest/lichaam-dualisme), maar om dan maar te concluderen dat alles een eenheid is, vond ik wel erg snel gaan. Waarom niet pluraliteit?

Om mij niet te verliezen in gespeculeer, ben ik op zoek gegaan naar een eenheidservaring. Welke ervaring komt in aanmerking voor de eretitel ‘eenheid’? Al jaren speelt een gebeurtenis mij parten. Ik wist niet hoe haar te interpreteren. Sinds enige tijd associeer ik haar met ‘eenheid’. Deze ervaring zal ik beschrijven en er vervolgens een onderzoekje aan koppelen.

Het blijft lastig voor me om het over deze ervaring te hebben. Soms meen ik dat zij voor mijn ‘zit in het leven’ de belangrijkste ervaring is geweest die ik ooit heb meegemaakt. Andere keren denk ik dat die waardering zwaar overdreven is, en dat het eigenlijk om iets gaat dat te banaal is voor woorden. Ik leg het aan jullie voor. Ben benieuwd.


Herengracht
Dit is wat me ruim dertig jaar geleden overkwam. Het was voorjaar 1983. Ik zat in het eerste jaar van mijn studie filosofie, hier in Amsterdam. In dat jaar kreeg ik te maken met een zeer uiteenlopend scala aan filosofen: van Plato tot Hegel en Nietzsche en van de Upanishads tot Frege en Popper. Ze hadden elk hun opvattingen, en deden allemaal hun best mij te overtuigen van hun eigen waarheid, ook al waren zij vaak nogal tegengesteld aan elkaar. Mijn hoofd raakte erg vol. Een enorme kluwen aan strijdige waarheidsopvattingen hield mijn aandacht bezet. Ik werd welhaast tot wanhoop gedreven door de verschillende claims: `ze kunnen toch niet allemaal waar zijn?!’ Wekenlang liep ik rond in een groeiende verwarring.

Toen, ergens in het voorjaar, op een vroege ochtend, na een nachtlang muziek en dansen, overviel me iets bijzonders. Ik kwam uit discotheek ‘Het Okshoofd’ (op de Herengracht) en liep naar mijn fiets. Plotseling, midden op straat, ervoer ik een wegvallen van alle grenzen. De stille straat in schemerend ochtendlicht, de gracht, huizen, bloeiende bomen, auto’s, fietsen, de oplichtende nevel boven het water: met alles raakte ik verbonden, indringend en tegelijk licht. Ik ervoer het als een implosie van mijn denken-onder-hoogspanning, alsof een zeil dat bol hangt van het regenwater openscheurt, doordat het ineens wordt opengereten door een vlijmscherp mes. `Het bestaan is er!’ was het eerste dat me te binnen schoot. En een diepingrijpend besef: mijn existentie is geen denkconstructie. Al met al duurde het niet lang. Ik liep door naar mijn fiets, haalde hem van slot en reed ermee naar huis. Alles oogde fris, helder.

Deze ervaring aan de Herengracht had op het moment zelf een grote impact. Het voelde als een bevrijding uit cerebrale overspannenheid. Maar wat had zij te betekenen? Wat kon ik ermee? Omdat ik niet goed wist hoe ik de ervaring moest plaatsen, heb ik er lange tijd niets mee gedaan. Ook vreesde ik dat medestudenten en vrienden nogal vreemd zouden opkijken bij het horen van het verhaal, en mij voor gek zouden verklaren wanneer ik deze ervaring heel serieus zou nemen. Had ik misschien teveel gedronken, iets gebruikt of te wild gedanst?

De ervaring bleef evenwel niet zonder effect. Het voelde als thuis geraken in het leven. Eerder spookte ik vooral rond in mijn denken; nu wist ik dat denken slechts een afgeleide is. Het voelde alsof ik door een valse bodem was gezakt. Ik had nu vaste voet aan de grond gekregen in wat ik ervoer als de ‘echte werkelijkheid’. Dit besef heeft mij nooit verlaten.

De Herengracht-ervaring had en heeft voor mij meerdere dimensies. Opmerkelijk genoeg associeer ik de ervaring pas sinds enige tijd met ‘eenheid’. Eerder speelden twee andere dingen die mij bezighielden. 1) ‘Het bestaan is er’ als een soort absolute bodem: het feit te bestaan is eerst en ontsnapt aan elke twijfel. Bestaan behoeft geen bewijs, en is in die zin ‘grondeloos’; het is er. Meer is niet nodig. Het is geen gedachte, maar een constatering. En 2): Alle waarheden over dat bestaan zijn relatief, in de zin van gerelateerd aan het bestaan. Anders gezegd: er is de werkelijkheid (het bestaan); en er zijn waarheden over de werkelijkheid, perspectieven. En die waarheden zijn er in meervoud, en hoeven elkaar niet uit te sluiten. Integendeel, zij kunnen elkaar heel goed aanvullen, vanuit telkens andere invalshoeken.

Die ochtend in het voorjaar was mijn geloof in de mogelijkheid van een eenduidige waarheid en een alomvattend denksysteem eraan gegaan, geïmplodeerd, - al heeft het nog een tijd geduurd voordat ik de neiging ertoe helemaal kon opgeven. Voor mijn studie filosofie had dit uiteraard vergaande consequenties, maar dat is nu niet ter zake.


De boom, bomen, …
Laat ik proberen duidelijk te maken hoe ik mijn Herengracht-ervaring associeer met ‘eenheid’. Dat zal ik doen door die ervaring te contrasteren met een staat van geest waarin ik die eenheid duidelijk niet ervaar. (En die verschillende staten van geest zou je dus ‘dualiteit’ kunnen noemen.)

Sinds enkele jaren begint het bij mij te dagen dat ik met taal en denken de werkelijkheid zoals ik die dagelijks ervaar telkens ophak in uitwisselbare eenheden, ook wel ‘woorden’ en ‘begrippen’ geheten. Ik zie weliswaar een ding, daar, op twintig meter van me vandaan, maar ik benader het vooral naar hoe ik het noem, een ‘boom’. Ik zie heel veel dingen om mij heen; echter, wat vooral telt is hoe ik ze noem: een ‘tafel’, een ‘stoel’, een ‘laptop’, een ‘kop koffie’, etc. Dit benoemen is zo vanzelfsprekend, dat ik me er geen vragen bij stel. Alles waarvan ik mij bewust word, wordt begeleid door woorden, gebeurt in woorden. Taal rastert zo alles wat ik waarneem: zij spreekt vanzelf in alles wat ik doe.

Deze vanzelfsprekendheid verbrokkelde, toen ik me begon te realiseren dat de dingen die ik benoem een ander leven leiden dan de benoemende woorden. Met het woord ‘boom’ kan ik spelen in zinnen, maar met het ding dat ik ‘boom’ noem, daar, op twintig meter van me vandaan, kan ik dat niet. Ik kan het ding niet verplaatsen zoals ik een woord kan verplaatsen en combineren met andere woorden. Het ding staat daar, en het enige dat beweegt zijn z’n takken en bladeren. Het staat er gecombineerd met andere dingen, en die combinatie heet ‘werkelijkheid’.

Kortom, het woord ‘boom’ functioneert in zinnen die ik denk, uitspreek, lees, opschrijf etc; het ding dat ik ‘boom’ noem is onderdeel van een werkelijkheid waar geen gat in zit: alles sluit naadloos op elkaar aan. Het ding wortelt in grond, staat naast een ander ding dat ook ‘boom’ heet, en op z’n takken zitten bewegende dingen die ik ‘vogels’ noem. (Het wordt steeds lastiger om met woorden te beschrijven wat ik zie, en dat is niet zo vreemd want elk woord is een algemeenheid; geen enkel woord heeft betrekking op maar één ding.)

Er blijkt dus een verschil te bestaan tussen de werkelijkheid van de dingen, waar ik zelf ook deel van uitmaak, enerzijds, en anderzijds het web aan woorden waarmee ik die dingen benoem. In dat woordenweb kan ik naar believen met woorden spelen, in talloze zinnen. De werkelijkheid van de dingen daarentegen is een aaneensluitend geheel, waarin twee dingen niet tegelijkertijd op dezelfde plek kunnen zijn, en waarin alles met elkaar verbonden is. De dingen bewonen een aaneengesloten werkelijkheid, terwijl het woordenweb een losse wereld van mogelijkheden oproept.

Beide hebben hun eigen dynamiek (je zou het ook ‘tijd’ kunnen noemen). De werkelijkheid van de dingen is weliswaar voortdurend in verandering, maar heel anders dan het woordenweb. Beide veranderen volgens een heel andere, eigen logica. Het woordenweb kent een grammaticale, een denklogica; en de werkelijkheid van de dingen kent een logica van onderlinge afhankelijkheid, van interdependentie.

(Het een, de wereld van de woorden, is het resultaat van de vraag wat iets is (namen, begrippen, etc). Het andere, de werkelijkheid van de dingen, kan worden geconstateerd; het bestaat ook los van mijn aandacht. Je zou kunnen zeggen: het eerste is de wereld van het Zijn; het tweede de werkelijkheid van het Bestaan. Nog weer anders gezegd: er is het ding voor mij als denktalig wezen, versus het ding op zich, dat ik zelf ook ben, te midden van andere dingen, een bestaan delend.)

Terug naar de ervaring. Tegelijk met het onvanzelfsprekend worden van het woordenweb dat mijn waarnemingen rastert, breekt af en toe de ervaring door van de aaneensluitende werkelijkheid waar ik zelf ook onderdeel van uitmaak. Wat valt erover te zeggen? Niet veel. Het voelt als aarden. Soms schrijf ik er een gedichtje over. Zoals vorig jaar, toen ik op Kreta was. Ik dreef in het water en het voelde alsof mijn lichaam opgenomen was in een gigantisch zeelichaam.

Oren in het water
Horen het lichaam ademen
Horen de oren
Horen het kabbelen
Van de zee
Meer niet

Het blijft lastig om in woorden te vangen wat nu juist ontsnapt aan het hak- en breiwerk van woorden…


Onder het woordenweb
Het ligt misschien voor de hand om hetgeen ik ervoer aan de Herengracht te associëren met de beleving van ‘eenheid’, zoals ik die hierboven heb proberen te beschrijven. Toch leg ik dat verband nog niet zo lang. Ontging me eerder het belang van die beleving? Was ik vooral behept met de waarheidsvraag en met het innemen van filosofische perspectieven, en duurde het daardoor lang voordat mijn aandacht verschoof (of kon verschuiven) naar de beleving van eenheid? Was het de heftigheid van de Herengracht-ervaring die me in de luren legde, waardoor ik ter vergelijking eigenlijk zat te wachten op even heftige ervaringen?

Hoe het ook zij, ik zie nu hoe het ‘wegvallen van alle grenzen’ toen vergelijkbaar is met het ervaren van de werkelijkheid als een aaneengeschakeld geheel waar ik zelf ook deel van uitmaak. En het lukt me steeds beter om die ‘eenheid’ te ervaren, en om deze ervaring te onderscheiden van mijn denktalige staat van geest, waarin ik ongemerkt alles benoem.

Een tijdje geleden viel me de frase in: ‘er zit geen gat in de werkelijkheid’. Sindsdien helpt het zinnetje me om weer in de staat van geest te geraken waarin ik de werkelijkheid als een naadloze eenheid ervaar. Het werkt als een soort koan.

Het ervaren van die eenheid heeft z’n voordelen. Opgaand (of gevangen) in het woordenweb heb ik de neiging om mij, losdenkend van de werkelijkheid der dingen, te verliezen in abstracties, in hypothetisch denken, in wensdenken. Door me te realiseren dat er, onderscheiden van het woordenweb, ook de werkelijkheid der dingen is, word ik aardser. (‘Fuss fassen in der Wirklichkeit’, zoals je zo mooi in het Duits kan zeggen.) En dit aarden voelt als thuiskomen: ik hoef er niet verder voor te zoeken.


Eenheid en dualiteit
Dit is waar ik op uitkom wat betreft ‘eenheid’. Zij is geen resultaat van opstapelend en verenigend denken; zij is een beleving. ‘Eenheid’ is geen overkoepelende hoofdgedachte, maar eerder een onderkoepelende ongedachte: het is er al, eerder dan elk verstandig gemaakt onderscheid. Wel vergt het een besef.

Eenheid ziet er vanuit de verschillende staten van geest anders uit:
. Uitgaande van de discursieve staat van geest, waarin alles wordt opgehakt in woorden en denkgrammaticale elementen, is eenheid een product: een aaneenvoegen van elementen tot een samenhangend, conceptueel geheel, - een gigantische klus, zeker wanneer je recht wilt doen aan alle verschillen en samenhangen.
. Uitgaande van de beleving van de werkelijkheid is er reeds eenheid; zij gaat aan alles vooraf. Eenheid is eerder dan alles wat er gezegd en gedacht kan worden over de dingen die we aantreffen. Je hoeft er niets voor te doen, alleen iets voor te laten: ophouden om alles in woorden te willen vangen.

En dualiteit? Wat komt in aanmerking voor het onderscheiden van diepgaand verschillende werkelijkheden, grondbeginselen of aspecten? Het enige onderscheid dat ik zou kunnen bedenken is dat tussen twee staten van geest: enerzijds het beleven van de ‘eenheid’ van de werkelijkheid der dingen; en anderzijds de discursieve staat van geest die alles in logische of grammaticale onderdelen ophakt, en die deze onderdelen combineert in zinnen, ermee beschrijft, mogelijkheden bedenkt, creëert, speelt, etc. Is dit een zinvolle beschrijving van dualiteit?


Tenslotte/verder
Tot zover enkele gedachten over ‘eenheid en dualiteit’. Ik ben op zoek gegaan naar ervaringen die in aanmerking zouden kunnen komen voor het tweetal. Uitgangspunt was ‘eenheid’: wanneer ervaar ik werkelijk eenheid? De constatering dat ik die eenheid niet dagelijks ervaar, gaf me de aanwijzing wat ‘dualiteit’ zou kunnen zijn: twee staten van geest. In de één ervaar ik eenheid; in de andere juist niet.

We zijn tot beide in staat. Ik heb niet de neiging om de één tot ‘echt’ te verklaren, en de ander als ‘illusie’ weg te zetten. Onze gedachten en de werelden die we daarmee creëren bestaan evenzeer, en met effect! Onze werkelijkheid wordt er in hoge mate door gevormd.

Is er sprake van een radicaal verschil tussen beide staten van geest? Of gaat het eerder om een spanningsveld, waarbij het een in het andere overgaat? (‘Dualisme’ veronderstelt een radicaal verschil; bij ‘dualiteit’ ligt dat anders: de twee zijn op elkaar betrokken.)

Op dit moment kan ik ‘eenheid en dualiteit’ niet anders zien. Ik zou niet weten wat er anders voor in aanmerking komt. De werkelijkheid der dingen en het woordenweb ervaar ik als een buitengewoon boeiend spanningsveld, met polen die elk hun voordelen hebben.

Blijft over een kwestie waar ik nog geen antwoord op heb. Wie of wat is hetgeen die beide polen in zich verenigt? En kan die vereniging ook ervaren worden, of is en blijft het een switchen van de ene naar de andere staat van geest?

Immers, ik ben degene die beide ‘doet’. (Of is ‘ik’ hier een misleidende term? Is het beter om te zeggen: mijn organisme?) Mijn organisme ‘doet’ beide: zowel de eenheidsbeleving, als ook het discursief benoemen, combineren en spelen met denktalige eenheden.

(Kunnen gedachten over ‘eenheid en dualiteit’ leiden tot een ervaring waarin beide op elkaar betrokken zijn?)

En om terug te komen op ‘dualiteit’: is het wel zinvol om ons te beperken tot twee staten van geest? Is er niet reden om uit te gaan van een pluraliteit? Ik denk aan kunstbeleving en aan erotiek, bijvoorbeeld. Vergen zij niet een andere staat van geest dan bovengenoemde twee? Zouden zij verbindend kunnen werken? Er valt nog het een en ander te onderzoeken!


Post scriptum.
Hoe onuitsprekelijk is de eenheidservaring? Over verwoorden, duiden en referentiekader

Ik meen dat de hierboven beschreven eenheidservaringen vergelijkbaar zijn met de ervaringen die Braembussche opvoert onder de titel van het ‘onuitsprekelijke’ of het ‘onzegbare’. En dan met name wat ik bij Dogen tegenkom, wanneer hij het heeft over de ‘realiteit zoals zij is’, de ‘zoheid’ en de ‘leegte’.

Hoe kan ik er zeker van zijn dat het dan om hetzelfde gaat? Zeker ben ik er niet van; het is een vermoeden. De belangrijkste aanwijzing heeft met taalgebruik te maken. Wanneer ik eenheidservaringen (zoals hierboven beschreven) in herinnering roep wanneer er door Dogen wordt gesproken over ‘zoheid’ e.d., dan levert voor mij dat betekenisvolle zinnen op. De verbanden die worden gelegd, de gewaarwordingen waarnaar wordt verwezen, de gevoelens die worden opgeroepen: ik denk dan te weten waar de schrijver het over heeft. Is dat voldoende? Ik weet geen andere manier.

Met de twee andere auteurs die door Braembussche ten tonele worden gevoerd, Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart, lukt dat minder goed. Hoe komt dat? Suggestie: óf zij spreken over een andersoortige ervaring, óf hun referentiekader is dermate anders dan het mijne, dat het me (nog?) niet lukt om het vergelijkbare in ervaring op het spoor te komen.

Mijn veronderstelling hierbij is, dat wij als mens verwant met elkaar zijn, ook in ervaringen, en dat er nauwelijks ervaringen te noemen zijn die volstrekt wezensvreemd zijn voor een andere mens. Waarin we wel verschillen is in referentiekader: de taal waarin we onze ervaringen verwoorden. (Je kunt het met Wittgenstein ook ‘taalspel’ noemen.) Het referentiekader van een naturalist, bijvoorbeeld, verschilt van dat van iemand die gelooft in een bovennatuurlijke werkelijkheid. Zij zullen andere woorden gebruiken, of zullen aan dezelfde woorden andere ladingen geven. Woorden maken deel uit van een netwerk aan betekenissen en verwijzingen.

Wanneer mensen onderling verschillen in referentiekader, dan valt er op het niveau van referentiekader doorgaans uiterst moeilijk een verbinding te leggen met een andersdenkende. Dat blijkt vaak wel mogelijk op het niveau van de ervaring. Moeilijkheid is dan om ‘voorbij’, of ‘onder’ de woorden te geraken. Dat blijkt mogelijk: wij zijn meer dan we denken. (En om Derrida tegen te spreken: Er is niet slechts tekst.) Intelligentie is precies het vermogen om ‘tussen de regels door te lezen’, waardoor we in staat zijn om te beseffen dat we het over hetzelfde hebben, ook al vertalen we het in andere woorden met een ander betekenisveld. Dit vergt inleving en het maken van vertaalslagen.

Met de teksten van Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart krijg ik nauwelijks voeling. Bij sommige zinnen veer ik op; de meeste zinnen blijven mij vreemd. Wat maakt dat ik er niet bij weet te komen wat ze me willen zeggen, terwijl ik wel meen te begrijpen waar het Dogen om gaat? Gebrek aan ervaring? Gebrek aan intelligentie? Of zijn er toch ervaringen waarvoor je iets moet geloven? Nog een mogelijkheid: ik zoek in de verkeerde kast van mijn herinneringen…

Teksten waarmee ik nauwelijks verwantschap voel of waarvoor ik tal van vertaalslagen moet verrichten om ze enigszins van betekenis te laten zijn, zijn idee-historisch misschien nog wel interessant. Echter, zij hebben op mij niet de werking van een ‘inleiding’, in de zin dat ze mij leiden naar ervaringen die de auteur op het oog heeft of waaruit hij spreekt.

Braembussche suggereert dat de ervaringen van Dogen, Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart vergelijkbaar zijn. Ik slaag er niet in om die verbinding te leggen. Met de ervaringen van Dogen heb ik wel voeling, met die van de andere twee niet.

Met Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart kan ik alleen iets wanneer ik hun ‘God’ omduid tot bewustzijn (of de verheerlijking ervan). ‘God’ als het ‘niets’ van het bewustzijn. Terwijl het Zijn de volte zelf is (namelijk alles wat is), is het bewustzijn het ‘niets’ dat zich van die volte bewust is. En zoals het bewustzijn niet samenvalt met de ‘natuur’, als hetgeen waarvan het zich bewust is, en in die zin ‘bovennatuurlijk’ is, zo is ook ‘God’ van bovennatuurlijke orde. Je zou dan kunnen zeggen dat een godsdienst de cultivering is van het ‘niets’ van het bewustzijn. Zo bezien is de negatieve theologie van Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart een poging om het ‘niets’ van het bewustzijn (en dus ‘God’) in ere te herstellen en te ontdoen van de godsbeelden en dogma’s waarmee het denken over ‘God’ (en dus het bewustzijn) doorgaans wordt bezet.



Noten:
. Bovenstaande tekst is geschreven als discussiebijdrage voor een leesgroepbijeenkomst, op 23 mei 2017, n.a.v. het boek ‘De stilte en het onuitsprekelijke. Over beeldcultuur, kunst en mystiek’ van Antoon Van den Braembussche, waarin we ook teksten lazen van Dionysius de Areopagiet, Dogen en Meister Eckhart. De tekst is een bewerking van een bijdrage aan een bijeenkomst van de Shambhala-filosofiegroep over het thema ‘Eenheid en dualiteit’, eerder in het voorjaar.

. In een andere weblog doe ik verder onderzoek n.a.v. het bovenstaande. (Zie 'Wijsgerig onderzoek naar een ervaring')