Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

donderdag 14 juni 2018

‘Het einde van de filosofie en de opgave van het denken’

.
Ja, wat als filosofie, zoals we haar tot nu toe hebben gekend, een zaak van het verleden is? ‘Het einde van de filosofie en de opgave van het denken’ (1): wat deugde er niet aan filosofie (althans, voor nu), en wat zou die opgave van het toekomstige denken kunnen zijn?

Filosofie kan natuurlijk van opgave veranderen, zoals dat ook al enkele keren is gebeurd, - wanneer je filosofie uit de Grieks-Romeinse oudheid vergelijkt met middeleeuwse filosofie of met filosofie in de moderne tijd. Blijft de vraag: welke vragen en taken van de filosofie uit het verleden kan het denken nu van zich afschudden en wat komt ervoor in de plaats?

Zijn onze wereld en cultuur zodanig veranderd dat zij noodzaken tot een radicaal ander denken over onszelf, over het leven en over onze biotoop? Wat is er veranderd in de menselijke conditie? Zijn onze ervaringen en kennis zo sterk veranderd dat we ook een andere wijsbegeerte nodig hebben?

Wat nu ‘filosofie’ heet, lijkt vaak niet meer dan een opgepoetste, welbespraakte mening, van iemand die een boek extra heeft gelezen, veredeld met wat citaten en verwijzingen, hier en daar een feitje, en net iets interessanter dan wat we al wisten, om ons toch te prikkelen tot enige reflectie, - maar is dat filosofie?

Is er een denken (met toekomst) dat meer is dan gefilosofeer? En aan welke behoefte of aan welk verlangen zou dat denken dan beantwoorden?


Noot:
.1: Titel van een lezing van Martin Heidegger uit 1964. In onderstaand interviewfragment refereert hij eraan: https://www.youtube.com/watch?v=qouZC17_Vsg&feature=youtu.be

maandag 11 juni 2018

Voor op mijn begrafenis (XI)

.
Laat ik weer eens iets toevoegen aan mijn begrafenislijstje. De laatste wens dateert alweer van een aantal jaren geleden. 

Ondertussen zelf al enkele keren bij een graf gestaan: met name dat van mijn vader en van een goede vriendin. Tja, het leven houdt een keer op. Iets om te betreuren? Wel op het moment dat iemand is vertrokken. En het duurt een tijdje om de wond te helen, - want dat is wat iemand achterlaat: een wond; en sommige hebben tijd nodig om te helen. 

Maakt dat de dood tot een ‘kwaad’ of iets anders dat niet deugt? Verdient de dood protest? Ik heb hem nooit zo kunnen zien, en nog steeds niet. De dood is onontkoombaar verbonden met het leven; hij is er onderdeel van, niet meer en niet minder. Heb nooit de neiging gehad om het anders te zien; noch heb ik het betreurd dat er ooit een einde komt aan leven, - wel wanneer! 

En ja, het blijft jammer om nooit meer bij iemand te kunnen zijn en met hem of haar te kunnen spreken. Echter, heeft het zin om het oneens te zijn met wat werkelijk onvermijdelijk is? Mag hij er niet zijn? De dood niet accepteren betekent: het leven fundamenteel anders willen dan het is, - recept voor een gefrustreerd bestaan, en wel bij voorbaat.

Wat zou ik nog willen horen op mijn begrafenis? Wat mij zeer aanspreekt is de onverwoestbare opgewektheid van Mozart. Het is de reden waarom ik al jaren elke ochtend begin met muziek van deze tovenaar. Er is werk waar ik weinig mee heb (m.n. zijn zangwerk), maar veruit de meeste concerto’s, sonates en symfonieën doen het goed om de dag mee te beginnen. (Soms wissel ik af met een Vivaldi of een Boccherini in een vergelijkbare stemming.)

Zoonlief Harrie zegt vaak dat hij het niks vindt ('Mozart stinkt'), maar ik vermoed dat hij het stiekem ook wel leuk vindt. Als ik het een keer vergeet om op te zetten, dan is hij het die me erop attent maakt! In ieder geval is er geen kind op aarde die zo vaak Mozart heeft gehoord als hij!

Er zijn ook stukken die iets te krachtig zijn voor de vroege ochtend, alsof je bij het ontbijt gelijk aan een stevig glas wijn begint. Maar voor op mijn begrafenis kan het geen kwaad. Om de stemming erin te houden! Ik denk aan het Piano Concerto nummer 5, en dan met name het eerste deel, het liefst tegelijk licht en stevig neergezet - sommige uitvoeringen zijn wat tam - , speels dus! Ik kom er dan wel even mijn kist voor uit, om een dansje te doen!

En combineer deze muziek dan met enkele regels van een van mijn favoriete dichters, Walt Whitman, uit ‘Leaves of grass’, - spreken voor zich:

“Love the earth and sun and animals,
Despise riches, give alms to everyone that asks,
Stand up for the stupid and crazy,
Devote your income and labor to others…
Re-examine all you have been told 
at school or church or in any book;
Dismiss whatever insults your own soul;
And your very flesh shall be a great poem.”

Uiteraard mag het hele gedicht worden voorgedragen, voor de liefhebbers van een poëtisch feestje!

maandag 28 mei 2018

Intensiteit als de modern seculiere maatstaf voor een goed of geslaagd leven?

.
Is intensiteit de maat geworden waaraan we ons leven afmeten? Nu het bovennatuurlijke (inclusief hiernamaals e.d.) voor velen zonder betekenis is geworden, lijkt alle nadruk te worden gelegd op ervaringen, en wel zo intens mogelijk. Je hebt immers slechts dit ene leven. 

Niet comfortabel leven, of moreel leven, maar intens leven, inclusief plezier, passie en lijden. Je dromen en verlangens leven, tot het einde toe, ook al brengt dat pijn met zich mee, - en deze pijn dan ook zo intens mogelijk beleven. 

Opmerkelijk genoeg past het belangrijkste motto in Zen (en in z’n gepopulaiseerde ‘light’-versie, mindfulness) wonderwel in deze tendens: met volle aandacht leven in het hier en nu!

‘Intensiteit’ is niet alleen het sleutelwoord van reclame en publiciteit, maar ook het leidende principe van een modern seculiere levensstijl. Levend in een beleveniseconomie, met een vooraanstaande rol voor de prestatie en wat zij teweegbrengt, - in sport, in sex-drugs-rock ’n roll, in werk, etc. Om je levensgevoel te verhevigen! Om in een flow te geraken! Om je maximaal te voelen leven!

En wat als de intensiteit weg is, of wanneer we er niet meer toe in staat zijn? Kunnen we daarmee genoegen nemen? Ervaren, of beschouwen we een leven (of een relatie, werk, etc) dat niet langer intens is als mislukt, voorbij of voltooid, dan wel aan vervanging toe?



Noot:
. Voor een kort exposé over ‘intensiteit’, met de Franse filosoof Tristan Garcia, kijk op:

donderdag 24 mei 2018

Zijn filosofen postchristelijke pastors geworden? Verklede sofisten?

.
Wat maakt de mening van een filosoof zo bijzonder? En bijzonder is zij, gelet op de aandacht ervoor. Soms lijkt het wel een event van nationaal belang, wanneer een filosoof iets gaat zeggen!

Er wordt veel gepresenteerd, gediscussieerd en gedebatteerd, op dialoogavonden, in fora, of op themabijeenkomsten, en niet zelden prijkt de naam van een filosoof op de aankondiging. Wat maakt hen zo geschikt voor deze rol? 

Hebben zij een bijzondere deskundigheid waardoor zij buiten hun vakgebied – filosofie – over tal van maatschappelijk en culturele thema’s hun zegje kunnen doen? (Over onze seksuele mores, bijvoorbeeld.) Hebben zij een speciale vaardigheid om zich op de hoogte te stellen van een stand van zaken, zonder dat zij erover vanuit eigen ervaring kunnen meepraten? (‘Voltooid leven’, bijvoorbeeld, enge ziektes, of een of andere crisis.) Of zijn zij gewoon in staat om een lekenpubliek net iets meer te bieden dan het zelf reeds denkt, of kent uit de krant of van sociale media? 

Overigens, bevestigd worden in wat je al vindt (en dat door een filosoof!), heeft natuurlijk ook zijn charme. Het hoeft dus ook niet heel vernieuwend te zijn om een avond met een filosoof geslaagd te doen zijn.

Af en toe probeer ik weer eens zo’n veelbelovende bijeenkomst. Waar ik mee naar huis ga, is zelden verrassend, laat staan inzicht gevend geweest. Meestal ben ik bij thuiskomst al kwijt wat er ook al weer gezegd is, en misschien is dat ook wel de bedoeling: een avondje nadenken, of bezinnen, zoals dat heet, maar ook weer niet al te diep. Het moet wel ‘leuk’ blijven, uiteraard, en ‘gezellig’.

Opvallend zijn de filosofisch verklede pastorale adviezen waarop je als publiek vaak wordt vergast. ('Haal de plugjes uit je oren!') Aan een dominee of pastor hebben we ondertussen een broertje dood, maar een pastorale filosoof kan geen kwaad. Dit keer worden geen bijbelteksten aangehaald, maar wordt gerefereerd aan de wijze lessen van filosofen uit het verleden, en zij hadden uiteraard het beste met ons voor. ('Wees geen slaaf van je begeerte!')

Zijn publieksfilosofen gaan opereren als sofisten, zo vraag ik me af. Postchristelijke sofisten, met preken - die uiteraard niet zo mogen heten -, gespecialiseerd in onderwerpen die bij het publiek aanslaan, waardoor iedereen weer gesticht en vol goede moed naar huis kan. 

Overigens hoef je als publieksfilosoof niet universitair gecertificeerd te zijn. Enkele lessen of colleges volgen, om je enig jargon eigen te maken, gecombineerd met het lezen van een paar boeken of artikelen (hoofdwerken niet verplicht), en je kunt je zonder schaamte ‘filosoof’ noemen. (Als alle publieksfilosofen hun academische papieren zouden moeten overleggen, zouden er weinig overblijven.) Niets of niemand is beschermd met de titel ‘filosoof’.

In het oude Griekenland heetten degenen die deskundig waren in het vertellen van verhalen die ‘de mensen’ wilden horen, sofisten. Nu heten ze bij voorkeur filosofen. Kan het anders? Moet het anders? Hebben wij gewoon behoefte aan pastorale zorg, in welke vorm dan ook? En is filosofisch entertainment dan nu zo’n vorm?

zondag 13 mei 2018

24 – 27 juli 2018: Lof der luiheid

FILOSOFIE & LEVENSKUNST: LOF DER LUIHEID
Over het nut van het nutteloze: een herwaardering van een oude ondeugd.


Hartje zomer in het hart van Amsterdam trekken wij ons terug uit alle haast, things to do, en geroezemoes, in het kleinste en mooiste theatertje van Nederland, het Torpedo Theater, om ons te verdiepen in lof der luiheid. Aan de hand van enkele filosofen, en ook in de praktijk. Een exclusieve vierdaagse voor een beperkt aantal deelnemers. 

Heb je er genoeg van om je door het leven te haasten, alsmaar druk te zijn, en je leven te laten bepalen door nut, agenda’s, smartphones en andermans wensen? Wil je je niet langer schuldig voelen bij nietsdoen?

Luiheid heeft van oudsher een slechte naam, maar is dat terecht? Is er voor innerlijke rust niet een forse dosis luiheid nodig? En kan creativiteit wel zonder? Luiheid is belangrijk voor het persoonlijk welzijn en levensvreugde. Verder is luiheid existentieel van belang: om je te bezinnen, om je te ontplooien, om zin te houden in het leven. En wat te denken van 'innerlijke luiheid'?



Aan de hand van een aantal filosofen onderzoeken we de verborgen kwaliteit van luiheid. We doen dit vanuit verschillende invalshoeken, met name: Paul Lafargue, Taoïsme, Spinoza, Stoa en Epicurus. Wat dachten zij over het recht op luiheid, nutteloosheid, vrijheid en genieten? Met Bregman en Harari kijken we naar onze huidige wereld.

Naast de filosofen, gaan we de stad met andere ogen bekijken: de kunst van het flierefluiten oefenen, stilte in de stad zoeken, ons verwonderen op het onthaastingspad. Ook bieden wij een luie onthaastende 'menukaart' kaart aan, voor wie buiten het programma nog meer wil ontdekken. Niets moet, alles mag.

Docent: drs Dries Boele
Plaats: Torpedo Theater, Sint Pieterspoortsteeg 33, Amsterdam
Data: 24 t/m 27 juli 2018
Cursus: 8 dagdelen 
Kosten voor cursus (incl cursusmateriaal): voor de vroegboekers (tot 10 juni) € 295,- ; daarna € 345,-
Aanmelden: driesboele@wxs.nl

woensdag 13 september 2017

Pleidooi voor filosofie als wijsbegeerte (Essay over de toekomst van filosofie)

(Dit essay is eerder verschenen in: 
Anka Fauth (red.), Als de uil van Minerva uitvliegt. Tien praktische filosofen aan het woord. 2017. ISVW Uitgevers, Leusden.)


Inleiding

Filosofie heeft alleen toekomst wanneer zij weer wijsbegeerte wordt. Zo niet, dan verliest filosofie haar hart, en zal verwateren, verworden tot entertainment of gereduceerd worden tot hulpwetenschap.

In dit essay wil ik een pleidooi houden voor filosofie als wijsbegeerte. Daarvoor zal ik eerst aangeven wat haar bedreigt. Vervolgens wil ik drie aspecten noemen die kenmerkend zijn voor filosofie als wijsbegeerte. Verder zal ik aangeven hoe zij in praktijk kan worden gebracht. Om te eindigen met een indicatie van het waartoe: waar is filosofie als wijsbegeerte goed voor?

Wat ik niet zal doen is een inhoudelijke agenda opstellen met onderwerpen. Dat ligt volkomen open. Filosofie is geen actiemachine waaraan kan worden voorgeschreven wat gedacht dient te worden. Waar het in filosofie (opgevat als wijsbegeerte) om te doen is, is niet een bepaald onderwerp noch de kennis van filosofisch gedachtegoed, maar om de manier waarop welk onderwerp dan ook benaderd dient te worden.

In de geschiedenis van de filosofie zijn tal van interessante perspectieven op de menselijke conditie ontwikkeld. Deze perspectieven wil ik zeker niet negeren; integendeel, ik ervaar ze als een verrijking; zij doen mij meer thuis voelen in de wereld! Kennis van de filosofiegeschiedenis vormt een vindgroeve aan mogelijke zienswijzen die goed van pas komt in de omgang met vragen en moeilijkheden die het leven opwerpt. Het kennis nemen en bestuderen van filosofisch gedachtegoed maakt het echter nog niet tot filosofie; je kunt er ook mee omgaan als ideeëngeschiedenis. Wil er sprake zijn van filosofie, dan is er meer nodig. En dat méér wil ik aanduiden als wijsbegeerte; zij vormt het hart van het filosoferen.


Bedreigingen: waar filosofie aan ten onder gaat

Ik weet dat ‘wijsbegeerte’ de vernederlandsing is van ‘filosofie’. Toch, wanneer je alle keren dat er sprake is van ‘filosofie’, het woord zou vervangen door ‘begeerte naar wijsheid’, dan zouden er bizarre, ja ridicule frasen ontstaan. De ‘filosofie van het kabinet’, de ‘filosofie van Trump’, de ‘filosofie van een bank’ of ‘van een organisatie’: heeft dat iets met wijsbegeerte van doen? Kennelijk is er behoefte om willekeurig denkwerk te voorzien van een achtenswaardig label door het te benoemen als ‘filosofie’. Maar wie schiet daar iets mee op?

Behalve deze woordinflatie, zijn er twee tendensen die het beeld van filosofie fors dreigen te vertekenen. Ten eerste is er de versnacking van filosofie. Filosofie moet als hapklare brokken opgediend kunnen worden, en wel zo snel mogelijk: ‘Vernieuw je denken’ in een dagdeel; een uurtje stoa; een socratisch gesprek in een half uur; een stoomcursus ‘hoe word ik een existentialist’. De suggestie wordt gewekt dat een quick-fix mogelijk is. Echter, heeft het zin om dan van filosofie te spreken?

Wijsbegeerte is en blijft een zaak van lange adem. Het oefenen houdt nooit op, zoals ook de zorg voor het zelf nooit ophoudt. Met de filosofische snack wordt de filosofie geprostitueerd, omwille van het snelle geld en om lafhartig te voldoen aan de eisen van marktdenken en media. Filosofie dreigt te verworden tot entertainment voor mensen die hun onnadenkendheid van een schaamlap willen voorzien door zich in hun drukke agenda een denkmomentje te gunnen. Maar wat heeft dat met wijsbegeerte te maken?

De andere tendens speelt zich af in de academische filosofie en heet ‘analytische filosofie’. De laatste decennia raakt ook de Europese filosofie ervan in de ban. Erger nog: filosofie lijkt ertoe gereduceerd te worden. Zeker, logica, denkexperimenten en conceptuele analyse zijn belangrijke instrumenten in de beoefening van filosofie, maar waartoe? Met het oog waarop worden deze instrumenten ingezet? Een menswaardig leven? Een humane samenleving? Zoals de filosofie in de Middeleeuwen dienstmaagd was van de theologie, zo is de analytische filosofie hulpje geworden van de wetenschap, en meer niet. Wanneer je ‘filosofie’ vervangt door ‘wijsbegeerte’, dan is het wijsgerige gehalte doorgaans ver te zoeken in de analytisch filosofische verhandelingen. Het wordt tijd om filosofie opnieuw te laten bloeien als wijsbegeerte, in plaats van haar in de uitverkoop te doen als cerebrale gymnastiek in dienst van wetenschap. 


Aspecten van wijsbegeerte

Waar hebben we het over? Wanneer is filosofie wijsbegeerte? Laat ik drie aspecten noemen, waarzonder geen sprake is van wijsbegeerte: zij is dialogisch; zij is kritisch; en zij is existentieel relevant.

Existentieel relevant

Filosofie als wijsbegeerte is mensbetrokken. Vragen zijn geen willekeurige vragen, maar vragen voor een mens. Anders dan in wetenschap, staat in wijsbegeerte niet kennis voorop, maar levensbetekenis. Wat heeft een situatie of een gebeurtenis te betekenen voor mij als mens? En datzelfde geldt voor kennis: wat is de existentiële relevantie ervan? Wetenschap doet onderzoek naar iets voorbij de menselijke betrokkenheid erbij. Zij kan onderzoeken wat de vernietigende kracht is van een explosief zonder zich af te vragen of wij dat effect ook voor onze rekening willen nemen. Zij kan onderzoek doen naar de werking van de hersenen zonder zich af te vragen wat de morele implicaties ervan zijn. Wijsgerig ben ik juist wel geïnteresseerd in wat iets voor mij als mens te betekenen heeft. Wat is de zin van een bepaalde actie of kennis? Wat zijn consequenties ervan voor ons zelfverstaan? Welke waarden zijn in het geding?

Wijsbegeerte thematiseert menselijke betrokkenheid. Geen gratuite gewichtigdoenerij. Geen denkspelletjes over zaken die mij verder niet aangaan. Er is sprake van wijsbegeerte wanneer denken een verschil maakt in het leven van degene die zich eraan wijdt. Zij is van existentieel belang: door wijsgerig te denken zet ik mijzelf op het spel. Wanneer ik denk over de menselijke conditie, dan betreft het mij, als mens. Het gaat mij aan. Ik denk omdat het leven mij te denken geeft, en ik wil weten hoe het zit.

Als oervader van de filosofie wordt vaak verwezen naar Socrates. Hij was geen veredelde docent die alleen bezig was zijn gehoor te onderwijzen, noch een trainer avant la lettre die bij anderen iets teweeg wilde brengen. Socrates werd eerst en vooral zelf gedreven door een passie voor waarheid, en in dat onderzoek nam hij anderen mee, wilde met hen iets uitzoeken, en stimuleerde al doende ook bij hen een passie voor waarheid. (1) Denken achtte hij van levensbelang, omdat we anders speelbal zijn van onze omstandigheden of van heersende vanzelfsprekendheden. Door na te denken kunnen we zorg dragen voor het welzijn van de eigen ziel, zoals hij het noemde. Kortom, wijsbegeerte maakt een verschil, omdat wel of niet nadenken een verschil maakt in hoe we leven.


Kritisch

Wijsbegeerte is kritisch, in de zin van onderscheidend. Met name door onderscheidingen aan te brengen in wat zich anders voordoet als een kluwen of als wirwar aan mogelijkheden. Een voorbeeld hiervan is eerder de revue gepasseerd: door filosofie als wijsbegeerte te onderscheiden van andere opvattingen van filosofie. Onderscheidingen zijn niet waardevrij; integendeel: zij voeren juist waarden in waar deze eerst ontbraken en stellen in staat tot evaluatie van een stand van zaken (in ons geval: de wijze waarop filosofie wordt beoefend). Door redenen te geven voor een bepaald onderscheid wordt de mogelijkheid geopend voor discussie en verdergaand onderzoek.

Wijsbegeerte is ook kritisch in de zin dat gangbare meningen en heersende opvattingen niet voor lief worden genomen, maar nader onderzocht. Een belangrijke filosofische vraag is dan ook: is dat zo? Het is begrijpelijk dat in het dagelijks verkeer vanzelfsprekendheden een grote rol spelen. Het wordt lastig wanneer we bij alles wat gezegd wordt een vraagteken zetten. Filosofie is de gelegenheid om dat wel te doen.

In de socratische methode wordt gesproken van het eigen ‘waarheidsgevoel’. Wat maakt dat we met een bewering instemmen? En wat maakt dat we ons afvragen of het wel klopt wat iemand zegt? Beide zijn uiting van ons waarheidsgevoel. Het is mogelijk dat we nog niet precies weten waarom we dat gevoel hebben, het vergt misschien een zoekend en tastend denken om dat helder te krijgen, maar we hebben dat gevoel al wel. In wijsbegeerte wordt het eigen waarheidsgevoel voluit serieus genomen. De twijfel mag er zijn, wordt welkom geheten. Vertrouwen krijgen in het eigen waarheidsgevoel is cruciaal voor het ontwikkelen van kritische zin en ligt aan de basis van individualiteit. Het getuigt van een wijsgerige houding wanneer we de bereidheid hebben om onvanzelfsprekend te laten worden wat we eerder dachten te weten of apprecieerden.


Dialogisch

Tenslotte het dialogische aspect. Ik doel daarmee niet zozeer op de praktijk van het voeren van gesprekken, maar op het doorbreken van het monologische van het dagelijkse denken. Wijsbegeerte betekent dat ik in dialoog ga met mijn eigen denken, me afvraag wat mijn uitgangspunten zijn, mijn waarden, mijn opvattingen over deze of gene kwestie. Kan ik hen handhaven, of verdienen ze bijstelling? Dat is de eigenlijke dialoog. Zonder deze betrokkenheid op het eigen denken is er überhaupt geen sprake van filosofie.

Dit zelfgesprek blijkt echter tamelijk lastig. Het is moeilijk om louter denkend stil te blijven staan bij de eigen wijze van denken. Gedachten glippen gemakkelijk weg. Wat kan helpen is om via een gesprek met een ander in dialoog te gaan met het eigen denken. Ten eerste omdat een gesprek uitnodigt om mijn gedachten te veruiterlijken: ik hoor mezelf iets zeggen. Met eventueel de vraag: is dat kennelijk wat ik denk? Ten tweede maak ik iemand deelgenoot, wat een doorbreking kan betekenen van de vanzelfsprekendheid die de gedachte voor mij heeft. En ten derde kan de ander fungeren als kritische spiegel: de ander merkt iets op wat aan mijn aandacht is ontsnapt of zet er een vraagteken bij.

Zoals gezegd blijft nadenken over het eigen denken lastig. Behalve het gesprek is een ander hulpmiddel: ‘hardop’ denken op papier. Het weerwoord van de ander ontbreekt, maar de veruiterlijking van het eigen denken in het schrijven heeft als voordeel dat ik rustig kan kijken naar wat ik kennelijk denk.

Verder is er de kennismaking met het gedachtegoed van filosofen als stimulans voor de primaire dialoog. Vaak wordt filosofie voorgesteld als kennismaking met grote denkers: wat hebben zij te zeggen? Echter, als het hierbij blijft, is er nog geen sprake van filosofie. Wat dan ontbreekt is de betrokkenheid op het eigen denken. Dit vergt een dialogische lezing van teksten. (Hierover later meer.)


Wijsbegeerte in praktijk

Wijsbegeerte vergt oefening. In de Oudheid was je geen filosoof vanwege de ideeën die je erop nahield, maar omdat je manier van leven wijsgerig was. (2) En die manier van leven werd gevoed door oefeningen. Dat is niet veranderd. Wie filosofie (opgevat als wijsbegeerte) tot onderdeel van zijn leven wil maken, kan niet zonder oefening.

Hedendaagse oefeningen zijn bijvoorbeeld de diverse gespreksvormen die zijn ontwikkeld in praktische filosofie. Ik denk aan het filosofisch café, het socratisch gesprek en het filosofisch gesprek zoals dat vorm heeft gekregen in het filosofisch consulentschap. Maar er zijn er meer. Het betreft vooral gespreksvormen die de gelegenheid bieden om het eigen denken te onderzoeken, om misverstanden en verwarring op te helderen en om opvattingen, waarden en parti-pris te bevragen, eventueel bij te stellen. Het is nu niet de gelegenheid om op deze gespreksvormen uitgebreid in te gaan. Er bestaat ondertussen de nodige literatuur over. (3)

Om de drie aspecten van filosofie als wijsbegeerte (te weten existentieel relevant, kritisch en dialogisch) te cultiveren is het aantal oefeningen in principe eindeloos. Ik wil nog kort stilstaan bij twee oefeningen waar ik zelf veel aan heb, namelijk het wijsgerig lezen van teksten en meditatie.


Wijsgerig lezen

In praktische filosofie bestaat de neiging om alles te verwachten van het ‘zelf nadenken’, alsof het voldoende is om zichzelf en elkaar te bevragen. Mij lijkt dit een beperkte visie. Ik leer veel van filosofen en andere auteurs. Niet alleen voeden zij mijn denken met gezichtspunten waar ik zelf niet op zou komen; ook scherpen ze mijn eigen denken, juist door het te provoceren en door mijn eigen ‘ongedachte’ zichtbaar te maken: aannames die ik voor lief neem, maar die allerminst vanzelfsprekend blijken te zijn. Daarom hecht ik eraan om iets te zeggen over ‘wijsgerig lezen’.

Wat behelst een wijsgerige lezing van teksten? Het betreft niet zozeer het soort teksten dat ik lees, maar de houding waarmee. En een filosofische tekst biedt geen garantie. Ook zij kan op een heel onwijsgerige wijze worden gelezen. Bijvoorbeeld door louter te focussen op de ideeën van de schrijver, op de opbouw van het betoog of op de strekking ervan. Een wijsgerige lezing van een tekst ligt in het verlengde van de eerdergenoemde elementen: existentieel relevant, dialogisch en kritisch.

Wijsgerig lezen betekent dat ik in dialoog ga met een tekst. Of dit gebeurt, ligt niet aan het boek, maar aan mij. Wanneer ik louter afstem op het denken van de ander, zal ik zelf buitenspel blijven. Het is als een interviewer die slechts geïnteresseerd is in de opvattingen van de geïnterviewde: het zwaartepunt ligt eenzijdig bij de ander. Een tekst kan mij provoceren tot nadenken; ik kan mij laten bevragen door een tekst; zij kan mij op andere gedachten brengen of mij anders doen denken over mijn eigen queeste, mits ik ervoor opensta en mits ik mij iets aantrek van de vragen, ideeën en argumenten die worden gepresenteerd.

Dat geldt ook andersom: een weerwoord is mogelijk. Wanneer ik in gesprek ben, zijn er altijd twee partijen, en er is pas sprake van een gesprek, wanneer beide partijen evenwaardig aan het woord komen (zo niet, dan is er sprake van een interview of een hulpgesprek). Dat kan ook bij het lezen van een boek: de schrijver spreekt tot mij, en wanneer dat maakt dat er bij mij een reactie opkomt, in de vorm van een vraag, een opmerking of een (al dan niet kritische) kanttekening, dan kan dat mij aanzetten tot denken of schrijven. Kortom: ik breng mijzelf in het spel. Dialogisch een boek lezen gebeurt dus niet door het uitschakelen van wat ik zelf vind bij het lezen, maar juist in te schakelen. Of minstens: ruimte geven aan wat er bij me opkomt.

Door een boek wijsgerig te lezen, probeer ik niet alleen een auteur te begrijpen; óók blijft de vraag wat ik door het lezen van een tekst zelf wijzer word over menszijn, en dus over mijzelf en de wereld waarin ik leef.

Eerlijk gezegd heb ik tijdens mijn studie filosofie nauwelijks geleerd om op een wijsgerige wijze teksten te lezen. Waarin ik werd geoefend, was een academische benadering: wat heeft de filosoof te zeggen? Hoe verhoudt de tekst zich tot andere teksten van dezelfde filosoof? Hoe reageert hij op eerdere filosofen? Welke rol spelen omstandigheden, inclusief cultureel-maatschappelijke? Dit alles kan veel interessants opleveren, maar het is daarmee nog niet van wijsgerig belang. Een wijsgerige lezing van een tekst gebeurt pas wanneer ik mijn eigen waarheidsgevoel er actief in betrek en wanneer ik bereid ben om mijzelf door de ontmoeting met de tekst te laten veranderen.

Twee hulpmiddelen ter bevordering van wijsgerig lezen zijn de leesgroep en schrijven. Wat betreft de leesgroep: weten dat de eigen leeservaring tot onderwerp van gesprek kan worden werkt als een uitnodiging om expliciet te letten op de vragen en kanttekeningen die het lezen van de tekst oproept. Bovendien kan de eigen leeservaring worden getoetst aan die van anderen. De dialoog met de tekst wordt zo tot een intersubjectief gebeuren.

‘Hardop’ denken op papier kan ook een hulpmiddel zijn. Opschrijven wat opkomt bij het lezen van een tekst: vragen, invallen, kanttekeningen, etc. ‘Tijd winnen door tijd te nemen’, zoals een docent het ooit verwoordde. Wanneer ik tijdens het lezen de tijd neem om iets te doen met hetgeen de tekst in mij oproept, maak ik het eigen waarheidsgevoel vruchtbaar en verhinder ik dat ik al lezend mijzelf monddood maak.


Meditatieve praktijk

Ongeveer zolang als ik aan filosofie doe, doe ik ook aan zitmeditatie. Ik ervaar deze oefening als een belangrijk ingrediënt in het proces van bewustwording, zowel naar mezelf toe, als in de interactie met anderen.

Het is jammer dat vanuit de reguliere filosofie nog vaak met scheve ogen wordt gekeken naar zitmeditatie en aanverwante oefeningen. Dit wijst op een identificatie van filosofie als een theoretische activiteit. Wanneer filosofie evenwel wordt opgevat als wijsbegeerte, dan ligt het meer voor de hand om ook aandacht te besteden aan oefeningen, inclusief meditatie.

Meditatie oefent in het gewaarzijn van het eigen denken en voelen. Het gaat er dan niet zozeer om wát er inhoudelijk in mij omgaat en om dat dan verder uit te werken, maar om te constateren dát er iets in mij omgaat. Meditatie creëert ruimte waardoor ik merk wat ik denkend en voelend aan het doen ben, waardoor ik er niet per se mee samenval.

Dit gewaarzijn heeft zo zijn voordelen. Bijvoorbeeld dat ik merk dat ik weer op een van mijn stokpaardjes ga zitten. Het wordt dan gemakkelijker om er weer af te stappen. Ook helpt het om te constateren in welke denkschema’s ik gevangen zit. Deze bewustwording is een eerste stap om er afstand van te nemen, mocht dat nodig zijn. Door meditatief ruimte te maken, kunnen denkfixaties worden ontstold en kunnen sterke opvattingen worden ontdaan van hun neiging tot verabsolutering. Sowieso heeft oefening in gewaarzijn als voordeel dat ik blijf beseffen dat ik méér ben dan ik denk.


Waartoe filosofie als wijsbegeerte?

Waar is dit alles goed voor? Heeft het enig nut om zich in te laten met filosofie opgevat als wijsbegeerte? Laat ik enkele punten aanstippen.

De vraag naar zin en betekenis verwijst naar degene die zich de vraag stelt: een mens. Bestaat er wel zin en betekenis buiten degene die ernaar vraagt? Wat het antwoord ook mag zijn, feit blijft dat wij mensen de enige levende wezens zijn die zich de vraag stellen. Kennelijk kunnen we niet om de vraag naar zin en betekenis heen, en wijsbegeerte geeft vorm aan deze behoefte.

We leven in een tijd en cultuur waarin we geacht worden zelf keuzes te maken en een eigen oordeel te vormen over morele en levensbeschouwelijke kwesties. Hoe komen we tot een eigen opvatting over wat een zinvol leven is, over juist handelen en over wat rechtvaardig is? Daar komt nog bij dat we leven in een cultuur die vooral diversiteit te bieden heeft, ook in antwoorden op existentiële vragen. Hoe hierin te kiezen? Hoe zelf uit te maken wat goed of waar is? Wie of wat betrekken we in dit onderzoek? (4) Voor deze en soortgelijke vragen is een wijsgerige benadering onmisbaar, juist omdat wijsbegeerte mensbetrokken is en zich bekommert om existentiële relevantie.

Wat kan filosofie als wijsbegeerte bewerkstelligen waardoor zij geschikt is voor bovengenoemde taken? Laat ik enkele punten aanstippen, zoals die voor mij gelden:
. Het aanscherpen van onderscheidingsvermogen, met name door te leren uit ervaring en door zich af te vragen wat de relevantie is van opgedane kennis. Vanouds wordt onderscheidingsvermogen gezien als onmisbaar voor het ontwikkelen van praktische wijsheid, en er is geen reden om daar nu anders over te denken.
. Het ophelderen van verwarring, en aldus werken aan een opgeruimd gemoed. Verwarring presenteert zich vaak als onontwarbare kluwen, maar dat hoeft niet zo te blijven. En het vruchtbaar maken van verwarring zou weleens dicht in de buurt kunnen komen van wijsheid.
. Het ontwikkelen van een kritisch bewustzijn, nodig voor een gezonde individualiteit en om niet onnadenkend speelbal te zijn van omstandigheden. Uitgangspunt voor deze ontwikkeling is het eigen waarheidsgevoel.

Hiermee kan filosofie bijdragen aan een bloeiend leven en aan de wording van een vrije geest. Wijsbegeerte vat ik dan ook op als een vrijheidspraktijk. Anders gezegd: filosofie is belangrijk voor het hooghouden en cultiveren van menswaardigheid, zowel op het persoonlijke vlak als cultureel-maatschappelijk, en wel door zich kritisch te verhouden tot welke gevestigde waarheid of praktijk dan ook, met de vraag of zij aan de belofte van menszijn beantwoorden. Filosofie heeft misschien geen nut, in de zin dat zij prestaties bevordert of opbrengsten verhoogt, maar zij is wel zinvol, in zoverre zij de ongeneeslijk menselijke vraag naar zin en betekenis adresseert.

Over al deze punten valt nog veel te zeggen.


Tot slot

In dit essay heb ik een pleidooi willen houden voor filosofie als wijsbegeerte. Filosofie is meer dan dat, maar als de wijsbegeerte ontbreekt, dan ontbreekt het hart van welke filosofische onderneming dan ook. Wil de filosofie toekomst hebben, dan zal zij niet moeten vergeten wat haar bijzonder en noodzakelijk maakt. Ik heb mij niet willen uitspreken over onderwerpen die op de agenda van filosofen zouden moeten komen te staan. Elke situatie, zowel persoonlijk als cultureel-maatschappelijk, zal haar eigen vragen oproepen. Mij gaat het om de benadering van welk vraagstuk dan ook, wil er sprake zijn van filosofie: een wijsgerige houding.


NOTEN:
.1.: Voor passie voor waarheid bij Socrates, zie Foucault (2011)
.2.: Zie het werk van Pierre Hadot, m.n. ‘Filosofie als manier van leven’
.3.: Zie voor meer informatie de literatuurlijst.
.4.: Zie ‘Bronnen van het zelf’ waarin Charles Taylor de ontstaansgeschiedenis van het moderne zelf onderzoekt.


LITERATUUR:
. Boele, D., The Training of a Philosophical Counselor. In: Ran Lahav and Maria da Venza Tillmanns (ed.), Essays on Philosophical Counseling. University Press of America, Lanham, 1995.
. Boele, D., The “Benefits” of a Socratic Dialogue. Or: Which Results Can We Promise? In: Inquiry. Critical Thinking Across the Disciplines. Spring 1998. Vol. XVII, No 3.
. Boele, D., Het socratisch gesprek. Een oefening in levenskunst. In: Olga Crapels & Edgar Karssing (red.), Filosoof in de praktijk. Van Gorcum, Assen, 2000.
. Boele, D., Bij wijze van gespreksleiding. Over visieontwikkeling, zich inleven en levenskunst. In: J. Delnoij en W. van Dalen (red.), Het socratisch gesprek. Damon, Budel, 2003.
. Boele, D., Une autre façon de philosopher. In: Eugène Calschi (dir.), Philosopher au café. 3e Colloque international. Ouverture et recherche de sens. La Gouttière, 2003.
. Boele, D., Opgeruimd gemoed. In: Prana, tijdschrift voor spiritualiteit en randgebieden der wetenschappen. Nummer 142, april/mei 2003/2004. 29e jaargang nr 4.
. Boele, D., Openbaar filosofisch spreekuur in het café. Een goed gesprek over gezonde problemen. Deviant. Tijdschrift tussen psychiatrie en maatschappij. Nummer 43. Jaargang 11. December 2004.
. Boele, D., Socratisch gesprek. In: Wouter van de Graaf, Mark Janssen, Heinz Mölders (red.), Versterkende gesprekken. Van monoloog naar dialoog en multiloog. Emancipatoire gesprekken rond zorg en welzijn. Tobi Vroegh, Amsterdam, 2012.
. Delnoij, J. en W. van Dalen (red.), Het socratisch gesprek. Damon, Budel, 2003.
. Foucault, M., De moed tot waarheid. Het bestuur van zichzelf en de anderen II. Colleges aan het Collège de France (1983 – 1984). 2011. Boom, Amsterdam.
. Hadot, P., Filosofie als een manier van leven. Ambo, Amsterdam, 2003.
. Hadot, P., Oefeningen van de geest. Het antieke denken en de kunst van het leven. Ambo, Amsterdam, 2005.
. Kessels, J., Socrates op de markt. Filosofie in bedrijf. Boom, Amsterdam, 1997.
. Kessels, J, E. Boers, P. Mosterd, Vrije ruimte. Filosoferen in organisaties. Boom, Amsterdam. 2002.
. Nelson, L., De socratische methode. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 1994.
. Taylor, C., Bronnen van het zelf. Lemniscaat, Rotterdam. 2007.



Over de auteur:

Dries Boele studeerde aan enkele kunstacademies en vervolgens filosofie in Amsterdam en Parijs. Hij is vanaf 1983 betrokken geweest bij de ontwikkeling van praktische vormen van filosofie. Sinds 1990 werkzaam als praktiserend filosoof, in en buiten Nederland, m.n. filosofisch consulentschap, socratische gesprekken en dilemmatrainingen. O.a. voor Nijenrode University, Amsterdamse politie, artsen, gevangenen, managementteams en diverse onderwijsinstellingen. Daarnaast geeft hij leesgroepen en cursussen, m.n. filosofie van de levenskunst. Ook als filosofische vakantie, o.a. in Zuid-Frankrijk, Griekenland en bij de ISVW (Leusden). Hij verzorgt een training voor socratische gespreksleiders en doet onderzoek naar filosofie met het oog op levenskunst en samenleving. Sinds 1994 leidt hij een filosofisch café in Amsterdam.

Drs Dries Boele, Spaarndammerplantsoen 108, 1013 XT Amsterdam, 020-6867330

Email: driesboele@wxs.nl   Website: http://home.kpn.nl/boele097

zaterdag 22 juli 2017

Wat is het bovennatuurlijke? Iets anders dan wat je denkt?

Wat is het bovennatuurlijke? Is het een andere werkelijkheid dan de onze? Leven wij in een natuurlijke werkelijkheid en is er dan ook nog een andere?

Of is het bovennatuurlijke een wereld waarin we verkeren wanneer we niet vanuit de dagelijkse werkelijkheid leven? – maar in gedachten, bijvoorbeeld, of in een wereld van mogelijkheden, zonder contact te maken met wat werkelijk is.

Het bovennatuurlijke is een wereld voor ons, dat wil zeggen: voor ons als denkende wezens. Een wereld die nooit werkelijkheid wordt, omdat we gevangen zitten in een web van woorden en verwijzingen. Een wereld waarin alles een denkgestalte aanneemt, - een denkgestalte die we voor de werkelijkheid houden.

En met een beetje filosofische scholing zullen we zeggen dat die wereld nooit de ‘echte’ wereld zal zijn, nooit de ‘wereld op zich’, aangezien we het altijd zullen moeten doen met een wereld zoals zij ‘voor ons’ is. We kunnen immers nooit uit de door onszelf gesponnen cocon van het denken breken, - althans, wanneer je jezelf voluit identificeert met je denkende ik en slechts dat voor werkelijk houdt wat je ook kunt denken.

Inderdaad, leven in een dergelijke wereld is het bovennatuurlijke in hoogsteigen persoon. Het is existentiële vervreemding die in zichzelf is gaan geloven.

Hoe dit geloof te herkennen?

Wanneer iemand zijn denken fors belangrijker acht dan de zintuiglijkheid van het lijfelijke bestaan, dan is de kans groot dat je met een bovennatuurlijk geloof te maken hebt. (Filosofisch gesproken: de ‘ware werkelijkheid’ versus de ‘zintuiglijke werkelijkheid’. Oftewel: de werkelijkheid van waarheden, - anders dan de werkelijkheid van de zinnen.)
Of wanneer iemand niet zonder een definitie kan (en het liefst met bewijs) van zijn grootste houvast in het bestaan.
Wanneer iemand zwijmelt over het 'mysterie van het bestaan' puur en alleen omdat er iets blijkt te zijn dat ontsnapt aan zijn denken.
Wanneer iemand praat over lijden als ware het een denkmogelijkheid waarvoor een 'redelijke' oplossing gevonden dient te worden.
Wanneer iemand praat over ‘structuren’ in de werkelijkheid, als zou er heil van te verwachten zijn, zoals partijideologen ‘structuren’ proberen op te zetten om een ver-van-hun-bed-show onder controle te krijgen en macht te behouden over de dagelijkse veranderingen.
Wanneer iemand praat over ‘lust’ met de diepte van een gedachte.

Ook wanneer iemand het over de ‘natuur’ heeft als iets waar hij zelf niet bij hoort, of slechts ten dele: dan is het zeker dat het bovennatuurlijke voor hem een realiteit is; hij meent ervanuit te denken en te spreken.

Wanneer iemand het over ‘liefde’ heeft als iets goddelijks, - hetgeen impliceert dat het eigen zinnelijke bestaan er een van liefdeloosheid is. Hetzelfde geldt voor degene die meent dat ‘God goed’ is; ook dit impliceert het een en ander over het niet-goddelijke bestaan.

Wanneer iemand meent niet zonder geestelijk houvast te kunnen, dan is het bovennatuurlijke niet ver weg, - en dat geldt ook voor ideeën.
Wanneer iemand meent dat er niets zou zijn zonder God, dan geeft hij daarmee te kennen dat hij niet in staat is te genieten van het feit te bestaan. In zijn armzalige geest (want vervreemd van zijn lichamelijkheid) zoekt hij bodem in de absolute uitvergroting van diezelfde geest, dan ‘God’ geheten. Oftewel: God als het ultieme bewustzijn.
Wanneer iemand over de ‘dood’ praat als het grote kwaad, dan weet je dat hij zich denkend buiten het natuurlijke leven plaatst.
Wanneer iemand ‘zin’ tot een bovennatuurlijke aangelegenheid maakt (als zijnde ‘afhankelijk van God’), dan weet je dat hij vooral in zijn hoofd leeft en dat dat hoofd zich heeft losbewogen, geabstraheerd van de rest van zijn lijf.
Wanneer iemand alles via God laat lopen, dan weet je dat hij bezeten is van denken en het zelf niet doorheeft.
Wanneer iemand zijn sterfelijkheid prijst om niet onderworpen te hoeven zijn aan ‘eeuwig lijden’, dan weet je: ik heb te maken met iemand met een dodelijke afwijzing van het leven en dus van zichzelf.
Wanneer iemand genietingen als een ‘troost’ voorstelt, dan weet je dat je met een verwrongen geest van doen hebt.

Geloof in het bovennatuurlijke is een misvorming als gevolg van zelfopsluiting van de geest. Hij probeert alles om te ontsnappen aan zichzelf, maar zoekt de oplossing in de verkeerde richting: nog meer geest, - oftewel: het bovennatuurlijke. (En er bestaat zeker ook een seculiere versie van het 'bovennatuurlijke'! Zij wordt met name gecultiveerd in filosofie.)

Het geloof in het bovennatuurlijke geeft permissie om te ontsnappen aan het 'gezonde verstand'.
Inclusief denken in termen van louter mogelijkheden, ontdaan van elke realiteitszin.
Inclusief omkeringen: het toeval, als wat ons toevalt, wordt tot noodzakelijkheid, ons door God genadevol toebereid, zodat de vraag naar het waarom ontsnapt aan onredelijkheid.
Inclusief totaliseringen: de openheid en de grootsheid van het leven wordt opgesloten in een geestelijke kerker, goddelijke voorzienigheid geheten, zodat alles zijn plaats en bestemming heeft, in een grote, allesomvattende afstemming, - wat een gebrek aan vertrouwen! Wateen angst!
Inclusief wensdenken: er moet wel een orde zijn (ook al is die voor ons onkenbaar), omdat het anders erg onrechtvaardig zou zijn wat er allemaal gebeurt.
Inclusief immense uitvergrotingen: kwalijke praktijken en boosaardige daden worden bijeengeveegd tot ‘het kwaad’, - bizar eigenlijk dat het denken van zichzelf niet ziet hoe het slachtoffer is van de grammatica: is er iemand (behalve Plato) ooit op de gedachte gekomen dat er zoiets moet bestaan als ‘het groen’ aangezien er zoveel dingen groen zijn? Hoe kan het dan dat er mensen zijn die wel geloven in ‘het goede’ en in ‘het kwaad’? (En wanneer ‘het kwaad’ bestaat, heeft het uiteraard ook een 'wezen'...)

De wegen van de menselijke zelfbegoocheling zijn verrassend en potsierlijk. Het zou een geweldig spektakel zijn, een dagelijkse soap, en een oneindige bron van vermaak en zelfspot, ware het niet dat die zelfbegoocheling zoveel ellende aanricht. Denk aan gewetensconflicten en scheuringen binnen families tot en met inquisities (middeleeuws en modern) en oorlogen tussen andersdenkenden.

Geloof in het bovennatuurlijke een onschuldig bijverschijnsel van onze culturele evolutie? Was het maar zo. Helaas lopen er nog te veel clowns rond die hun eigen spelletje voor de ware werkelijkheid houden. Nog erger is het wanneer zij niet alleen hun spelletje voor de waarheid houden, maar er zozeer van genieten dat zij het ook anderen gunnen, ja, het hen willen opdringen. En als niet goedschiks, dan maar met argumentatief geweld. (Een voorbeeld van verwrongen lichamelijkheid: de neiging tot genieten blijft opspelen, zij het in vergeestelijkte vorm.)

Uiteindelijk ontkomt het geloof in het bovennatuurlijke niet aan een poging tot machtsgreep. Uit genotzucht. Geestelijk genieten doe je samen. Het enige dat daarvoor nodig is, is onzekerheid en goedgelovigheid. Ook helpt ontzag voor onnavolgbare redeneringen. Wie niet snapt wat hem gezegd wordt, zal dan uiteraard niet twijfelen aan de oprechtheid van de boodschapper of aan het (on)zinnigheidsgehalte van wat gezegd wordt, maar zal twijfelen aan zijn eigen begrip. En aangezien het bovennatuurlijke tegelijk het rijk is van oneindige mogelijkheden, ook aan troost en hoop op liefde, zal het vervolgens weinig moeite kosten om een dolende ziel te vangen. Halleluja!

Conceptueel gezien is het belangrijkste bezwaar tegen het 'bovennatuurlijke' de minderwaardige opvatten van 'natuur' die is geïmpliceerd. Als zou de 'natuur' slechts iets materieels zijn, een vehikel voor hoogwaardiger zaken, zoals geest, ziel, e.d., samengevat als 'bovennatuurlijk'. Vanwaar deze scheiding? Ik zie geen enkele goede reden om het materiële af te zonderen van het geestelijke? Natuur omvat beide, en dus is er geen noodzaak om een aparte categorie, het 'bovennatuurlijke', in het leven te roepen.

Degenen die geloven in een bovennatuurlijke werkelijkheid verdedigen zich door een wereld zonder als mager, kaal of kil af te schilderen (want louter 'materieel' etc). Dit verwijt, echter, betreft alleen de eigen aannames. Door alles wat je aan het 'bovennatuurlijke' toeschrijft aan de 'natuur' te onttrekken, hou je inderdaad een sterk uitgeklede 'natuur' over, nl ontdaan van wat wat wij associëren met 'geest', 'ziel' en 'spiritualiteit'. Er is evenwel geen enkele noodzaak om deze reductie toe te passen. De 'natuur' opgevat als alles wat bestaat, inclusief geest etc, heeft het 'bovennatuurlijke' niet nodig. Het is namelijk niets, en in het beste geval een uitkomst van zelfvervreemding, want teveel 'hoofdzaak'.

Er zit ook een voordeel aan het 'bovennatuurlijke', namelijk als aanduiding voor het niet-samen-vallen met een gegeven werkelijkheid. Er valt aan te ontsnappen. Bijvoorbeeld: door er 'nee' tegen te zeggen, door zich kritisch op te stellen, door initiatieven te nemen en iets in gang te zetten dat nog niet het geval is. Vrijheid dus. Ik zie niet waarom dit niet ook deel uit zou maken van de natuur, en met name de menselijke natuur. Maar goed, mocht je er om pedagogische of morele redenen speciale aandacht willen besteden, als iets buitengewoons en bijzonder de moeite waard (want belangrijk voor een menswaardig bestaan), en het daarom anders zou willen benoemen, okay. Echter, is dat een reden om het ook een andere ontologische status toe te kennen, als zou het in werkelijkheid iets anders zijn dan het bestaan waaraan wij dagelijks deelhebben? En als het die suggestie wekt (met alle vervreemdende uitwassen van dien), is 'bovennatuurlijk' dan wel zo'n handige term?