Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

dinsdag 29 december 2020

Wat Covid mij heeft geleerd: hufters bestaan en met gevolgen

.

Hufters bestaan, en in grotere getale dan ik dacht: dat is me duidelijk geworden tijdens de coronapandemie. Het dwingt me om een en ander bij te stellen.

 

1.

Wat blijkt? Er zijn mensen die simpelweg lak hebben aan onderlinge solidariteit en aan een belang dat hen overstijgt. Zelfs wanneer dwingende maatregelen worden opgelegd, van regeringswege, met een uitdrukkelijke verwijzing naar mensen in de zorg die alles geven en er soms zelfs aan dood gaan, dan nog zijn er tal van lieden die die maatregelen negeren en gewoon doen waar ze zelf zin in hebben – de hufters. (Feesten, bijvoorbeeld, winkelen in het buitenland wanneer dat in Nederland niet meer kan, of op skivakantie gaan.) 

 

Om zichzelf vrijwillig in te perken is er dus niets dat iedereen aanspreekt, zelfs niet solidariteit in uitzonderlijke noodsituaties. Een militaire dictatuur is kennelijk nodig (zoals in China) om iedereen te dwingen zich te voegen naar maatregelen, - en zelfs dan: waarschijnlijk zijn er ook dan mensen, en wel binnen de heersende groep, die zich niet menen te hoeven houden aan regels, door henzelf opgesteld.

 

Er blijken veel meer hufters te zijn dan ik dacht. En normaal stoor ik me er niet echt aan, onder het motto: regels zijn ervoor om te worden overtreden. Als dat niet al te vaak gebeurt en het heeft geen grote gevolgen, dan kan me dat niet echt veel schelen. 

 

Door Covid ben ik daar anders over gaan denken. Hoe graag we het ook niet willen zien, het virus wordt door mensen verspreid en door niets anders. Het virus verspreidt zichzelf niet; het leeft niet eens. We zijn zelf verantwoordelijk voor de ernst van de problemen.


Kortom, de pandemie heeft niet alleen aan het licht gebracht hoe wijdverspreid hufterig gedrag is, maar ook dat geen enkele aansporing of redengeving daar verandering in brengt. Ook dringende redenen van solidariteit en empathie met zorgwerkers kunnen mensen er niet van overtuigen om gehoor te geven aan de maatregelen. 

 

(Opmerkelijk genoeg heb ik met hufters de meeste moeite. Bij jongeren kan ik het me voorstellen dat ze zich willen onttrekken aan regels, en bij gelovigen (zoals evangelische en charismatische christenen) en complotdenkers snap ik het niet, maar ze hebben wel op een of andere manier een rechtvaardiging voor hun gedrag. Hufters hebben zelfs geen rechtvaardiging; het enige dat telt is waar zij zelf zin in hebben. Wellicht dat ze ook nog zullen instemmen met de afgekondigde maatregelen, maar dat ze voor zichzelf een uitzondering maken, - en dit is typisch voor de hufter.)

 

2.

Hufterigheid is uiteraard niet pas ontstaan in reactie op de pandemie. Zij was ook daarvóór al ruimschoots aanwezig. En niet zelden mét gevolgen voor ons allen. Zoals, ondernemers die belasting ontduiken. Bedrijven die het puur gaat om de winst. Criminelen die roven en plunderen louter voor eigen gewin. Alsmaar rijker wordende miljardairs, ondanks mondiale ellende.

 

En het ergste is wanneer hufters aan de macht komen. Met Trump als het ultieme voorbeeld. Een hufter als president van het machtigste land ter wereld. Voordeel is dat hij zelfs niet de moeite neemt om zijn eigen gedrag en mentaliteit te verhullen. Wie een hufter wil bestuderen hoeft alleen maar de berichten over de heer T van de afgelopen vier jaren te hebben gevolgd.

 

Nog nooit is me zo duidelijk geworden dat er hufters onder ons zijn, én dat het nodig is om met hun bestaan rekening te houden, aangezien het succes van maatregelen in crisistijd mede van hen afhangt, namelijk hun niet-medewerking tot en met regelrechte sabotage. Het is een van de belangrijkste lessen die het afgelopen rampjaar me heeft geleerd. (Met gevolgen voor andere en komende crises, zoals die rond het klimaat.)

 

En ja, tegen hufters is geen kruid gewassen. Voor argumenten zijn ze niet vatbaar, noch voor een oproep tot solidariteit en empathie, - waren ze dat wel, dan zouden het geen hufters zijn.


Erop vertrouwen dat mensen wel hun verantwoordelijkheid zullen nemen is voor mij een ongeloofwaardige uiting van wensdenken geworden. Er zijn te veel uitzonderingen op deze schone wens, zelfs wanneer het voor iedereen duidelijk moet zijn dat er sprake is van een noodsituatie waarin het gedrag van eenieder ertoe doet.


3.

Wat ermee te doen? De pandemie zullen we weer te boven komen, maar hufters zullen er altijd zijn. Of we het leuk vinden of niet, we zullen rekening moeten houden met hun bestaan. Een samenleving zonder hufters is misschien wel gewenst, maar niet haalbaar. Mensen zullen niet veranderen, ook al wordt hun gedrag betreurd of gehaat. En een dictatuur willen we niet. 


Voorlopig zie ik als enige uitweg: humor. Humor en zelfrelativering. En levenslust. En een bijstelling van mijn verwachtingen, niet alleen van mensen, maar ook van maatregelen om iets gedaan te krijgen, hoe sterk de noodzaak of de wens ook is. 


Hoe mijn mensbeeld aan te passen op deze nieuwe ervaringen en inzichten? 


Eerlijk gezegd had ik verwacht dat mensen in tijden van grote calamiteit, zoals de huidige pandemie, tijdelijk hun geschillen zouden begraven en hun eigenbelang onderschikt zouden maken aan algemeen belang en onderlinge solidariteit, maar dat blijkt slechts beperkt het geval. Was ik naïef? Goedgelovig? Behept met wensdenken?


Ik wil er niet cynisch door worden, noch een zure pessimist. Hoe plezier in het leven te houden, mét hoop voor de toekomst, inclusief de wetenschap dat hufterigheid een realiteit is? Levenslust tegen de wanhoop...

 

P.S.

Laat duidelijk zijn: in een land als Nederland is een tweede golf van een pandemie, zoals we die nu kennen, volstrekt onnodig. De pandemie is geen natuurramp die ons overkomt, zoals een aardbeving. Zij is in hoge mate mensenwerk.

Dat we in het voorjaar, tijdens de eerste golf, werden verrast, is niet meer dan begrijpelijk. Het was een nieuw virus en we wisten niet wat ons overkwam. Dat is nu geen verzachtende omstandigheid meer. We kennen het virus ondertussen en we weten wat de gevolgen zijn, niet alleen voor de eigen gezondheid, maar ook voor de gezondheidszorg. Ook weten we wat we kunnen doen om verspreiding van het virus te voorkomen. Er is niemand die niet weet wat nu geboden is. 

Evenmin is er in Nederland de noodzaak – vanwege armoede en slechte sociale voorzieningen, bijvoorbeeld – om risicovol werk te blijven doen. Simpelweg omdat we in lockdown zijn, en omdat er steun komt van de overheid. 

Uiteraard blijft er een kans dat je bij toeval het virus oploopt (in gezelschap, in een winkel of in openbaar vervoer), maar die kans wordt fors verlaagd wanneer iedereen zich aan enkele simpele maatregelen houdt. En die kleine kans verklaart niet waarom er nu zoveel besmettingen en ziekenhuisopnames zijn.

 

dinsdag 26 mei 2020

EXISTENTIËLE MIGRATIE – een ervaring die noodzaakt tot her-denken, omdenken, opnieuw denken

.
Ervaringen – ook lijfelijke – zijn onvoldoende om tot werkelijke verandering te komen; daar is minstens ook denken voor nodig. Laat ik dit toelichten aan de hand van een persoonlijke ervaring waarin mij dat duidelijk is geworden. 

Om die ervaring te typeren zou ik een nieuw begrip willen introduceren, existentiële migratie: het verhuizen van één levensovertuiging naar een radicaal andere, inclusief het avontuur én de moeilijkheden die zo’n verhuizing met zich mee brengen. Geloofsafval is er een voorbeeld van, maar er zijn ook andere vormen. 

Naast de fysieke migratie, van één land of cultuur naar een ander, bestaat er wat mij betreft dus ook een andere vorm van migratie, de existentiële. De gevolgen zijn anders, uiteraard, maar ook weer niet helemaal. In beide gevallen betreft het iets ingrijpends.

Toen ik 15 was, besloot ik te breken met het geloof waarin ik was opgevoed, met vergaande gevolgen. Op mijn 17de liep ik weg van huis. Er valt veel over te vertellen, maar dat zal ik niet doen. Het gaat mij nu in de eerste plaats om de verandering in denken en hoe dat verliep.

Het christendom waarmee ik brak was orthodox-protestant. De kerk waar het grootste deel van het dorp (inclusief mijn ouders) naar toe ging was reeds behoorlijk streng in de leer. Mijn opa vond deze kerk evenwel toch nog te vrijzinnig en kwam met enkele tientallen medegelovigen bijeen in een schuurkerkje op een doordeweekse dag. Voor mijn 15de bezocht ik een tijdlang deze bijeenkomsten; ook ik vond de prediking in de dorpskerk te verwaterd. Laten we zeggen dat ik het allemaal erg serieus nam.

Het geloof dat tijdens de bijeenkomsten in het schuurkerkje werd verkondigd was buitengewoon zwaar en scripturalistisch. De dominee predikte hel en verdoemenis (letterlijk), en men hield zich strikt aan de letter van de Heilige Schrift. Mijn opa presteerde het om nog te geloven dat de aarde plat was, zoals in de Bijbel staat, en meende dat alle verhalen over een kogelronde planeet gelogen waren. Ik denk niet dat er nog strengere orthodoxie bestond in het protestantisme.

Toen ik brak met het geloof, kende ik zowel de alledaagse vorm, acceptabel voor de meeste mensen in het dorp, als ook zijn meest rigide en dogmatische vorm. Ik heb aan den lijve ondervonden wat het betekent om te geloven en te leven naar de letter van een tekst; een dergelijk geloof verankert zich in je hele systeem, in je lijf en je denken: alles wordt erdoor gekleurd, inclusief alledaagse gewaarwordingen. Een geloof gaat diep. 

De belangrijkste aanwijzing voor hoe diep die verankering gaat, is de moeite die het mij heeft gekost om ervan af te komen. En dat wilde ik op een gegeven moment: er radicaal mee breken.

Toen ik op mijn 15de brak ik met het geloof dat mijn jeugd tot dan toe had bepaald, verliep dat allemaal minder bewust dan achteraf lijkt. Wat mij ‘van binnenuit’ motiveerde was dat het geloof niet (meer?) paste bij mijn ‘levensgevoel’, - vaag, ik weet het, en ik had er een verhaal bij, maar nog niet heel duidelijk; wel was het gevoel dwingend. Ook waren er omstandigheden die van invloed waren en mij op sleeptouw namen: puberteit, de meisjes, en zeker ook de tijd waarin ik opgroeide, de jaren 70. Ik kan dus niet zeggen dat de twijfel mijn keuze was; eraan toegeven misschien wel, en zeker hoe.

Ik maakte een welbewuste keuze – die ik me ook nog goed herinner – om nooit meer terug te keren naar waar ik vandaan kwam. Daartoe wilde ik met wortel en tak uitroeien wat mij had gevormd. 

Dat had ook te maken met wat om mij heen gebeurde. Meerdere malen had ik reeds gezien hoe jongeren (m.n. jongens) braken met het geloof en het ouderlijke gezag, enkele jaren niet meer in de kerk kwamen, en dan rond hun 18de of 20ste af en toe weer eens hun neus lieten zien; als ze verkering kregen, gebeurde dat steeds vaker, en uiteindelijk trouwden ze in de kerk, en werden zo toch nog een min of meer trouw gemeentelid. 

Deze terugkeer beschouwde ik als een vorm van capituleren, een lafheid, en zwoer dat het mij nooit zou overkomen. Dat was evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Toen bleek namelijk hoe allesdoordringend dat geloof was ingeplant in mijn organisme en hoe moeilijk het was om mij ervan te ontdoen.

Anders gezegd: het existentiële referentiekader waarin ik was opgevoed zat diepgeworteld in mijn persoon: in hoe ik dacht, wat ik mocht en moest van mezelf, hoe ik ervaringen evalueerde, hoe ik mijzelf zag, hoe ik meende dat anderen mij zagen, hoe ik naar de wereld keek, etc. Sommige referentiekaders zijn wellicht flexibel en beter aangepast aan de (veranderende) omstandigheden, zodat er nauwelijks of geen reden is om de boel grondig overhoop te schoppen. Bij mij was dat anders.

Ik had mij dus sterk voorgenomen om alles in mij wat mij deed denken aan mijn orthodox christelijke opvoeding uit te roeien. Dat was een flinke klus, inclusief morele oriëntatie, waarden en normen die ik geleerd had hoog te houden, schuld en schaamte, opvattingen over het hoe en waarom van de werkelijkheid, etc. Ik wantrouwde zelfs mijn geweten; hoe was dat gevormd? Dat ging dus ver. Na verloop van tijd voelde het alsof ik leefde met in mij een existentieel ‘zwart gat’, zonder enig levensbeschouwelijk of moreel houvast. 

Prettig voelde het niet. Vooral gedesoriënteerd en in verwarring. Dit alles werd versterkt doordat ik kwam te wonen in grote steden. Eerst Rotterdam, vervolgens twee jaar in Parijs, en daarna Amsterdam.

Zo vast als ik mij had voorgenomen om mij te ontdoen van mijn godsdienstige opvoeding, zo vast had ik me eveneens voorgenomen om mij niet in een ander geloof te storten of in iets dat daarop leek. Er was genoeg in de aanbieding: Marx, Freud, Hare Krishna, Bhagwan, en New Age in alle soorten en maten. Ook al vond ik het allemaal erg interessant om te onderzoeken, ik wilde geen ‘gelovige’ worden van het een of ander, - niet opnieuw. Liever existentieel onbehuisd, dan mij te voegen naar een nieuwe leer. 

In die tijd heb ik ook veel geëxperimenteerd met meditatieve praktijken, yoga & co, drugs, muziek, dans, etc., en ook was ik actief in diverse kunsten. In plaats van mij te onderwerpen aan een nieuw geloof, wilde ik zelf nieuwe ervaringen opdoen en daaruit leren. 

En ja, die waren er volop, nieuwe ervaringen, zeker wanneer je ernaar op zoek gaat. Alleen eruit leren bleek een stuk lastiger. Het ontbrak me ten enenmale aan de nodige tools of het referentiekader om werkelijk te leren uit die ervaringen. Het referentiekader waar ik mee vertrouwd was, had ik bij de vuilnis gezet, en een nieuw referentiekader had ik (nog) niet. Resultaat: steeds meer chaos, verwarring en desoriëntatie. 

Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat ik filosofie ben gaan studeren, met de hoop dat ik antwoord zou vinden op tal van vragen en openstaande kwesties. Filosofie heeft niet gebracht wat ik er zocht, maar dat lag vooral aan de studie, en niet per se aan filosofie zelf. Gelukkig kwam ik tijdens mijn studie al snel in aanraking met praktische vormen van filosofie. Naast de aangeleverde concepten en filosofische theorieën, bezorgde de praktische filosofie mij tools om iets te doen met mijn ervaringen en die van anderen.

De studie filosofie heb ik ervaren als een welkom bastion waarbinnen ik mij kon bezinnen op wat er allemaal was gebeurd, om puin te ruimen, om mijn wonden te helen, en om inspiratie op te doen, heel veel inspiratie. 

Het bleek niet eenvoudig om stukje bij beetje een nieuw referentiekader op te bouwen. Het gaat niet alleen om ideeën. In feite komt een belangrijk deel ervan neer op identiteit: het detecteren van een oude en het creëren van een nieuwe. Wie ben ik? Wat is mijn toebehoren? Hoe verhoud ik mij tot de achtergrond die mij gevormd heeft? Hoe mij thuis te voelen in de wereld, in het leven? Het werd een lange, lange zoektocht naar wat mij past, naar wat ‘klopt’ met mijn levensgevoel. 

Behalve een zoektocht naar identiteit, was het ook een soort herschrijven van mijn eigen geschiedenis én toekomst, voorbij de verwarring en desoriëntatie. Veel denken, dus.

Migratie wordt verschillend beleefd. Sommigen gaan zich echt thuis voelen in hun nieuwe land, anderen blijven leven met een sterk gevoel van heimwee. Zo ook bij existentiële migratie. Voor mij persoonlijk geldt dat niets in mij terugverlangt naar het geloof waar ik ooit afscheid van heb genomen. Het nieuwe land is veeleisend, maar ook een geweldig avontuur!
.
.
Enkele lessen
.
Wat heeft deze ervaring van existentiële migratie me geleerd? Door mijn eigen ervaring te vergelijken met soortgelijke geschiedenissen kom ik uit op een aantal suggesties. Onder andere:
.1) dat niemand zonder existentieel referentiekader kan, en ook zelden ís;

.2) dat veranderen van existentieel referentiekader niet gemakkelijk is, maar een zeer ingrijpend proces dat letterlijk alles overhoophaalt en dat een enorme inspanning vergt, inclusief sociale kosten;

.3) dat het afscheid nemen van een eerder ingeprent of aangeleerd existentieel referentiekader niet zonder het zoeken naar een alternatief kan; leven zónder existentieel referentiekader is simpelweg onleefbaar, of in ieder geval: chaotisch, verwarrend, zonder oriëntatie, en niet lang vol te houden;

.4) dat mensen die ontkennen te leven met een existentieel referentiekader het duidelijkst er één hebben, zij het ‘ongedacht’, - hetgeen vooral veel naïeve beweringen oplevert, m.n. over geloof en geloofsafval;

.5) dat ervaringen, en m.n. lichamelijke belevenissen, uit zichzelf niets zeggen (of slechts in uiterst primitieve vorm, - zo van ‘lekker’ of ‘leuk’), en als ze wel iets zeggen, dat dan een vertrouwd referentiekader ‘spreekt’;

.6) dat alleen denken denken kan veranderen; zo niet, dan blijft het eerdere denken ‘ongedacht’, en daarmee intact en werkzaam;

.7) dat het een sterk vertrouwen vereist in het eigen ‘levensgevoel’, wil je dit proces tot een goed einde voeren;

.8) dat er veel meer vormen van ‘geloof’ zijn dan ik aanvankelijk dacht; er bestaan niet alleen religieuze, maar ook heel seculiere vormen van geloof, waarin iemand zich voegt naar een leer of naar een manier van denken en handelen die door een ander (of een instituut of organisatie) is voorgeschreven;

.9) dat het getuigt van weinig zelfkennis om elke gelovige toe te wensen dat hij een afvallige wordt, alsof je een jas uitdoet; het is heel begrijpelijk wanneer men ervan afziet; de prijs kan hoog zijn; wie het toch doet zal niet anders kunnen;

.10) en tenslotte, dat existentiële migratie meestal gebeurt – net als andere vormen van migratie – uit noodzaak, en dat onvoorspelbaar is waar je terecht komt en wat je eraan overhoudt.

. En omdat 11 mijn favoriete getal is, voeg ik er nog één aan toe: goed komen doet het meestal, ook met familie, aangezien mensen nu eenmaal meer zijn dan ze denken; op persoonlijk niveau valt heel goed contact te maken, ook al ben je het levensbeschouwelijk niet met elkaar eens, zij het met beperkingen.

zaterdag 2 mei 2020

Voor op mijn begrafenis (XIII): ‘Rock Bottom’ van Robert Wyatt

.
Wat ik zeker ook op mijn begrafenis zou willen horen is ‘Rock Bottom’ van Robert Wyatt. Hoe vaak ik dit psychedelisch muzikale meesterwerk heb beluisterd, ik zou het niet weten. Doodzonde wanneer het weg zou zinken in de grote vergetelheid van de popmuziek, maar dat is een ander verhaal. Op mijn allerlaatste feestje wil ik het graag horen, - en wie er niets mee heeft, ook goed; ga even in de tuin staan, of naar de wc, of iets dergelijks. Graag de hele lp! (Op YouTube te vinden ;-)) Met name de eerste twee nummers van kant B: ‘Alifib’ en ‘Alife’, en luister naar de saxofoon! 

Ja, er zitten ook heel dierbare herinneringen aan vast. ‘Rock Bottom’ heb ik leren kennen in Parijs, toen ik er samenwoonde met J. Of was het al eerder, toen ik haar ontmoette op mijn 17de, weggelopen van huis, en avontuurlijk op sleeptouw genomen door een 8 jaar oudere playboy? Of een jaar later, toen ik haar regelmatig ging bezoeken, in haar appartement in een buitenwijk van Parijs? 

'Rock Bottom' doet me denken aan veel wijn, wierook, en soms een andere substantie. En een prettig bed. En een platenspeler waarmee je vijf of zes lp’s na elkaar kon afspelen. Deze zat er bijna altijd bij, en een Woodstock, en een Julien Clerc, Bernard Lavilliers of Higelin. Maar ‘Rock Bottom’ was mijn favoriet, en nog steeds. Als ik op een onbewoond eiland zou belanden, dan graag met deze plaat.

Maar goed, nu ben ik dan dood. En voordat ik naar de eeuwige jachtvelden verdwijn, graag nog eens dit muzikale meesterwerk!

woensdag 19 februari 2020

Voor op mijn begrafenis (XII): 'On the overgrown path'

.
Nog iets voor op mijn begrafenis – het wordt een heus feestje!: ‘On the overgrown path’, van Leos Janacek.

Met deze pianoklanken op de achtergrond, stel ik me voor op een ‘overwoekerd pad’, zonovergoten, met hier en daar een boom, een wandeling te maken, met dierbaren die ik de afgelopen tijd verloren ben. Ik mis hen met een bloedend hart.

Vader, mijn lieve vader. Oud geworden, maar het mag ook enkele decennia eerder: graag hoor ik je nog eens praten over al de dingen die ik al eens gehoord heb en waar je plezier aan hebt beleefd. Je hartelijke glimlach. Ook hoor ik je graag nog eens belangstellend zijn naar het leven van iedereen die bij je op bezoek kwam.

Marcel, dierbare vriend uit Parijs. Hoeveel herinneringen delen wij niet, en van zo lang her! Inclusief de liefde voor dezelfde vrouw. Hoe graag zou ik nog eens met je bomen over politiek, over de Vrijmetselaars waar je ooit lid van was, over kinderen, kwetsbare kinderen die bescherming nodig hebben, en nog veel meer. Alles bespraken we. Nogmaals!

Lieve Ellis, hoe plotseling ben je uit het leven gestapt, en dat uit eigen beweging. Zolang had ik je niet meer gezien, of slechts een heel enkele keer, na onze dramatisch eindigende liefde. De laatste keer dat ik je sprak was je zo vol van alles, zo anders dan eerder, zo druk ook. Had ik daarna vaker contact met je op moeten nemen?

En Silvia. Ook jou, vroegere liefde, dacht ik later nog wel eens tegen te komen. Maar nee, je stierf zonder dat ik het wist. Je wilde absoluut niet dood, hebt je taai verzet. Geweldig om te horen dat je al enige tijd met de liefde van je leven was. Zeldzaam, zo’n geluk. Tragisch dat je er zo kort maar van hebt kunnen genieten. Echt jammer. 

Met jullie zou ik graag op het ‘overwoekerde pad’ nog eens een wandelingetje maken, al was het maar voor de lengte van een van de etappes, liefst langer.

maandag 6 januari 2020

Hoe kritisch is praktische filosofie (nog)?

.
Steeds meer volwassenen en kinderen kampen met psychologische problemen. Waar komt dat door? Wat is de oorzaak van deze toename?

De hedendaagse psychiatrie neigt ertoe psychologische problemen te pathologiseren en toe te schrijven aan het individu, dat daarmee de schuld krijgt. Of liever: zijn hersenen, - terwijl in de hersenen nog niets is gevonden dat een psychiatrische aandoening kan verklaren. 

Wat op deze manier buiten beeld blijft: de neoliberale prestatiemaatschappij die mensen geestelijk ziek en ongelukkig maakt, - de échte waanzin, aldus Verhaeghe.

Is er een uitweg?

Wat in ieder geval niet moet gebeuren is kritiekloos bevestigen hoe problemen worden verwoord, ook niet door de bezoeker van een filosofische praktijk. Deze verwoording is allerminst neutraal.

Kritiek op de pathologisering van problemen was ooit een belangrijke ontstaansreden voor de praktische filosofie (begin jaren ’80, vorige eeuw). Wordt er nog iets mee gedaan? Of zijn we meegegaan in het ontmaatschappelijken van persoonlijke problemen, waardoor deze worden gereduceerd tot een strikt individuele aangelegenheid, met of zonder breinbeschuldiging? Slagen we er nog in om bij het ophelderen van een probleem naar de hele mens te kijken, d.w.z. inclusief omgeving en cultureel-maatschappelijke context?

In plaats van louter vragen te stellen en te luisteren, zouden praktiserend filosofen iets moeten doen met een kritische analyse van (wat geldt als) normaliteit, psychische stoornissen en de pathologisering van problemen (zoals bijv verwoord in bijgaand interview met Paul Verhaeghe). 

Werk aan de winkel voor filosofen met een praktijk! 


Artikel:
Paul Verhaeghe, hoogleraar psychologie: ‘We kweken psychiatrische patiënten bij de vleet’ (Knack, 27-11-2019)


zaterdag 7 september 2019

Wat is een museum?

.
In seculiere samenlevingen spelen musea een belangrijke rol. Ter lering en vermaak. Vermaak krijgt veel nadruk, maar hoe zit het met de component ‘lering’? 

Hebben musea, en m.n. de kunstmusea, niet een functie van kerken e.d. overgenomen, en dan aangepast aan onze modern kritische tijd? Museum als inspiratieplek, als plek waarin ‘nut’ even niet de hoofdzaak is, als vrijplaats voor creativiteit, schoonheid en nieuwsgierigheid, als oplaadplek voor vrije geesten. 

Vraag is: moet elk museum hieraan voldoen? Dat lijkt me moeilijk vol te houden. Valt er wel een definitie te geven van een museum in het algemeen?

Ik wist niet dat er zoiets geprobeerd werd, maar toch! Er wordt zelfs een hele conferentie aan gewijd, in Kyoto. Een eerdere definitie, uit 1946, wordt aangepast, en daar is veel discussie over, binnen de museumwereld, wereldwijd. (Zie artikel)

In de huidige definitie wordt een museum omschreven als een ‘niet op winst gerichte’ instelling die ‘ten dienste staat van de samenleving’ en materiële en immateriële getuigenissen ‘verwerft, behoudt, onderzoekt, presenteert, documenteert’. Er is een nieuwe tekst en die voegt eraan toe dat musea als doel hebben ‘bij te dragen aan menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid, mondiale gelijkheid en wereldwijd welzijn’.

Is het een goede zaak om het museum aan een emancipatoire doelstelling te koppelen? – ‘bijdragen aan menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid, mondiale gelijkheid en wereldwijd welzijn’. Tegenstanders vragen zich af of musea wel kunnen (of willen) voldoen aan deze ‘ideologische’ eis (ook al is deze niet dwingend). Voorstanders zien als voordeel dat een kritische dialoog in het leven wordt geroepen over de functie van een museum etc. 


Vandaag wordt erover gestemd in Kyoto.



Artikel:
. Wat is een museum? ‘Ideologische’ definitie verdeelt museumwereld (NRC, 4-9-19)

donderdag 14 juni 2018

‘Het einde van de filosofie en de opgave van het denken’

.
Ja, wat als filosofie, zoals we haar tot nu toe hebben gekend, een zaak van het verleden is? ‘Het einde van de filosofie en de opgave van het denken’ (1): wat deugde er niet aan filosofie (althans, voor nu), en wat zou die opgave van het toekomstige denken kunnen zijn?

Filosofie kan natuurlijk van opgave veranderen, zoals dat ook al enkele keren is gebeurd, - wanneer je filosofie uit de Grieks-Romeinse oudheid vergelijkt met middeleeuwse filosofie of met filosofie in de moderne tijd. Blijft de vraag: welke vragen en taken van de filosofie uit het verleden kan het denken nu van zich afschudden en wat komt ervoor in de plaats?

Zijn onze wereld en cultuur zodanig veranderd dat zij noodzaken tot een radicaal ander denken over onszelf, over het leven en over onze biotoop? Wat is er veranderd in de menselijke conditie? Zijn onze ervaringen en kennis zo sterk veranderd dat we ook een andere wijsbegeerte nodig hebben?

Wat nu ‘filosofie’ heet, lijkt vaak niet meer dan een opgepoetste, welbespraakte mening, van iemand die een boek extra heeft gelezen, veredeld met wat citaten en verwijzingen, hier en daar een feitje, en net iets interessanter dan wat we al wisten, om ons toch te prikkelen tot enige reflectie, - maar is dat filosofie?

Is er een denken (met toekomst) dat meer is dan gefilosofeer? En aan welke behoefte of aan welk verlangen zou dat denken dan beantwoorden?


Noot:
.1: Titel van een lezing van Martin Heidegger uit 1964. In onderstaand interviewfragment refereert hij eraan: https://www.youtube.com/watch?v=qouZC17_Vsg&feature=youtu.be