Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

zaterdag 7 februari 2026

In het zicht van de dood (6): transformatie

 .

Wat heb ik ondertussen van de situatie van en met mijn vriendin ‘geleerd’? – als je het zo kan noemen. Hoe heeft het mijn leven veranderd, inclusief mijn denken over een en ander?

Wel, minstens dat leven kwetsbaar is. Broos en kwetsbaar.

Dat lichamelijk verval en ziekte reëel, en levensbedreigend kunnen zijn.

Dat alles wat leeft vergankelijk is, en zomaar dood kan gaan.

Ik wist het allemaal wel, en tegelijk ook niet. Het was eerder niet echt tot mij doorgedrongen. Nu zeker wel.

 

Aangezien ik zelf vrijwel nooit ziek ben – ik ken mijn huisarts niet -, nam ik ziekzijn tot nu toe nauwelijks serieus. Okay, je bent weleens wat minder ‘goed te pas’ – zoals ze dat in het oosten van het land zeggen -, even, en daarna ga je weer verder.

Ongeneeslijk ziek? Langzaamaan doodgaan? Lijden? In een rolstoel zitten? Steeds minder kunnen doen wat je het liefste wilt? Permanent pijn hebben? Elke dag heel veel pilletjes moeten slikken? Het waren voor mij onbekendheden.

Nu niet meer dus.

Gezondheid nam ik voor lief, en als maat. Ik had een iets te rooskleurige en heldhaftige kijk op het leven. Te eenzijdig.

 

Wat heb ik nog meer geleerd?

Dat de liefde meer dimensies heeft dan ik eerder dacht.

Liefde – ook wanneer het niet goed gaat met de ander.

Liefde – ook wanneer er van alles wegvalt waarvan ik eerder dacht dat zij conditie sine qua non waren voor een liefdesrelatie, zoals erotiek en seks, veel gezamenlijk ondernemen, en een fijne tijd met elkaar hebben. 

Er simpelweg willen zijn voor de ander is ook liefde.

En ook: liefde kan groeien in ellende.

 

Liefde en dood heb ik nooit met elkaar in verband gebracht.

Überhaupt is de dood lange tijd op afstand gebleven in mijn leven. 

Mijn ouders gingen dood. Treurig, zeker. Maar ze waren op hoge leeftijd. Het zou niet realistisch zijn geweest om te verwachten dat ze nog veel meer jaren zouden hebben geleefd.

Enkele jaren geleden gingen enkele dierbare vrienden dood. Ze waren mijn leeftijd of jonger. Dat kwam al behoorlijk binnen. Alsof het niet had mogen gebeuren, en dat mocht ook niet. Toch was het mogelijk om hun overlijden op den duur weer te vergeten, zonder dat er iets veranderde.

Dat is nu niet het geval.

Op de een of andere manier roepen bij mij leven, liefde en dood nu elkaar op, en dat in positieve zin. Elkaar versterkend.

Me verzoenen met vergankelijkheid is mogelijk, maar belangrijker is om te zien dat leven ook een andere kant heeft, en dat liefde meer is.

 

Mijn geliefde is mijn geliefde, en dat alleen al maakt een groot verschil. Ze is deel van mij. Of beter: wij maken deel uit van iets groters, onze liefde.

Van heel dichtbij het verloop van haar ongeneeslijke ziekte meemaken: het is ingrijpend. 

Wat gewoon was wordt het steeds minder.

En het einde nadert, onherroepelijk. Het einde van haar leven en dat van onze liefdesrelatie.

 

En wat ik verder aan het leren ben: ‘cut the crap’ is de beste samenvatting. Radicaal ophouden met flauwekul en er niet meer in meegaan. 

Heel veel blijkt onbelangrijk of niet de moeite waard om me er druk over te maken. In het nieuws, in de verhalen waarmee we elkaar onderhouden, en ook in filosofie en in spiritualiteit. En niet te vergeten de vele nepclowns met hun meninkjes. Gewichtigdoenerij om niks.

Er wordt zoveel geleuterd. 

Laat ik niet ingaan op wat me ondertussen allemaal stoort, of me als onzinnig dan wel lachwekkend voorkomt.

We zijn kampioen in het belangrijk maken wat het bij nader inzien niet is.

 

De vanzelfsprekendheid van veel is eraan gegaan. Enigszins zoals tijdens de coronapandemie, maar dan anders. Persoonlijker. Ze kunt ook zeggen, existentiëler. Wat toen – voor mij – een min of meer abstract gevaar was, is nu zeer nabij en raakt me onmiddellijk.

 

Wat de afgelopen maanden aan het gebeuren is, ervaar ik als een forse transformatie. Het maakt dat veel aan herziening toe is. En verstand of redelijk denken staan in dat proces niet op de eerste plaats.

Ik moet op zoek naar een nieuw evenwicht. Dat zal nog even duren.

 

P.S.

Mijn vriendin is een taaie. Ze doorstaat veel en houdt het nog steeds vol!

zondag 25 januari 2026

Een bos licht

 .

Een bos licht

 

Leeg in mijn hoofd 

Voel ik tinteling in mijn vingers

Hoor ik het ruisen van bomen

Zie ik de zon neerstrijken

Op groen gebleven dennennaalden 

 

Leeg gewandeld

De grond stevig onder mijn voeten 

Met om mij heen de ranke kracht 

Van torenhoge boomstammen

 

Blauwe lucht die tevoorschijn komt

Vanachter witte plukken wolk

En ruimte overal ruimte

 

Terwijl ik daar sta

En mij verwonder

Verheugd over de heerlijkheid 

In leven te zijn 

zaterdag 17 januari 2026

Winter bij hospice (foto's)

 Enkele kiekjes gemaakt in omgeving van hospice waar mijn vriendin verblijft





















zaterdag 10 januari 2026

In het zicht van de dood (5): Vergankelijkheid, denkend over dood en sterfelijkheid

.

Hoe denk ik over dood en sterfelijkheid?

Jarenlang heb ik er niet of nauwelijks over nagedacht. 

Ik werd geraakt door verlies. Verlies van ouders en vrienden. Heel verdrietig om hen kwijt te raken en zonder hen verder te moeten leven.

Maar verlies is nog niet hetzelfde als dood en sterfelijkheid. Deze onderwerpen hielden me niet echt bezig.

Waarom nu wel?

Misschien omdat mijn geliefde nog zo jong is? Of omdat het zo dichtbij komt?

Sinds juni van afgelopen jaar weet mijn vriendin dat ze uitgezaaide borstkanker heeft. Ongeneeslijk.

Dat heeft veel veranderd.

Op dit moment verblijft zij in een hospice. Vaak logeer ik daar ook.

Wat haar dood mij zal doen, weet ik niet, en nog minder wanneer mijn eigen dood aanstaande is. Maar ik ontkom er niet aan om er gedachten over te hebben.

Zullen de intuïties en opvattingen die ik ongemerkt toch heb over dood en sterfelijkheid veranderen door wat er de komende tijd gaat gebeuren?

Laat ik ze voor mijzelf expliciet maken.

Om niet onnadenkend aan idee-fixen vast te houden; om (meer) open te staan voor wat er gebeurt; en om gemakkelijker van gedachten te kunnen veranderen, mocht daar aanleiding toe zijn.

‘Oh, it is easy for the one who stands outside the prison-wall of pain to exhort and teach the one who suffers’, zoals Aeschylus ooit zei. Dus laat ik voor mijzelf spreken.

 

 

[17-1-26]

 

Hoe denk ik over dood en sterfelijkheid?

Als ik over deze vraag nadenk, kom ik telkens weer uit op één samenvattend woord: vergankelijkheid. Het besef ervan heeft meerdere lagen.

 

1.

Vergankelijkheid: alles is aan verandering onderhevig, niets is blijvend. En dat geldt ook voor mijzelf. Niets van mij is blijvend. 

Misschien dat ik een tijdje voort blijf leven in de herinnering van nabestaanden.

Misschien dat iets van wat ik heb gedaan zich voortzet in wat anderen ermee doen.

En verder zal mijn lichaam, als lijk – tenzij ik mij laat cremeren -, voedsel zijn voor ander leven: wormen, schimmels, bacteriën, etc. 

Tot nu toe heb ik vergankelijkheid opgevat als een gebeuren zonder uitzondering. Niets van mij, van mijn organisme met alles erop en eraan, zal voort blijven bestaan. Niets. Ook niet ‘iets’ – een ‘ziel’ of een ‘zelf’ of iets dergelijks – dat weer terugkomt in een ander levend wezen (reïncarnatie) of dat verhuist naar een of andere bovennatuurlijke werkelijkheid (hiernamaals). 

Ik snap de wens om dat wel te willen. Bijvoorbeeld, om in een volgend leven beter, gezonder of langer te leven, of om weer te worden verenigd met een geliefde. (Zelf zou ik het liefst honderd keer nogmaals willen leven, want ik hou van het leven!) Maar hoe begrijpelijk ook, ik kan deze voorstellingen niet anders zien dan als vruchten van wensdenken, en misschien ook als weigering om de vergankelijkheid van alles en iedereen onder ogen te zien en te accepteren.

Dit is hoe ik ‘in het algemeen’ denk over dood en sterfelijkheid. Een soort achtergrondgedachte. 

Heb ik er genoeg aan wanneer doodgaan een realiteit wordt? 

 

2.

Ook relaties zijn vergankelijk.

Ik voel mij verbonden: met mijn geliefde, met mijn zoon, met vrienden en familie, en met heel veel meer. En als iemand sterft, betekent dat een pijnlijke verbreking. Een afgesneden raken. Zoals van mijn ouders en van dierbare vrienden. En dat voelde enkele keren als een amputatie. We gingen gezamenlijk door het leven, ook al was er fysiek afstand. Met hem of haar was ik een tijd intens verbonden. Hij of zij was deel geworden van mijn leven. En opeens is die ander er niet meer, of alleen in herinnering.

Hoe om te gaan met de pijn van het verlies, en het gemis?

Tot nu toe hielp de gedachte aan vergankelijkheid om de pijn te verdragen, en om uiteindelijk vrede te hebben met het verlies. Het verandert de pijn niet, maar zorgt wel voor verzachting.

Zal dat ook nu het geval zijn, wanneer ik afgesneden ga raken van mijn geliefde?

 

3.

Vergankelijkheid ontdoet het in-leven-zijn van z’n vanzelfsprekendheid en maakt ruimte voor mee-leven.

Wat de afgelopen periode, sinds duidelijk werd dat mijn geliefde ongeneeslijk ziek is, me heeft geleerd is dat doodgaan onderdeel is van het leven. Dat besef is er meer dan eerder. Wie leeft gaat dood. En ja, dat geldt voor alle leven. 

Het komt er dus op aan te leren leven mét de dood, en wel als onontkoombaar ingrediënt, - een les die diep is binnengekomen. 

Wat heeft dat teweeggebracht?

Minstens: een besef van de kwetsbaarheid van in-leven-zijn. En dat het een kostbaar gebeuren is, en zowel broos als hachelijk en onzeker, want verwondbaar, tot en met breken. 

Leven kan er opeens niet meer zijn: dat van mijzelf, dat van een geliefde, en dat van elk ander levend wezen. Allemaal even breekbaar.

Dit beseffen zorgt voor hartverzachting, of hoe je het ook wilt noemen.

Altijd al heb ik van het leven gehouden. Aards, tijdelijk, tastbaar leven: het liefhebben meer dan waard! Deze liefde heeft zich verdiept met het besef dat een kloppend hart niet het eeuwige leven heeft, maar zomaar kan stoppen. Een rauwe gewaarwording die mij mild is gaan stemmen, en met (meer) compassie met al wat leeft.


Het besef van dood en sterfelijkheid is dus, wat mij betreft, zeker niet alleen een duistere domper op het leven.

De dood brengt een ongekend contrast aan, waardoor het wonderbaarlijke van in-leven-zijn zich toont. En dat geldt in het bijzonder voor het leven van degenen die ik liefheb. 

Als de dood al duisternis is, dan licht alles wat bestaat des te meer op, en wel om te koesteren en te vieren!


Dit ongeveer is wat bij mij als eerste opkomt wanneer ik denk aan dood en sterfelijkheid. Er valt nog veel meer over te zeggen.

 

Ben benieuwd hoe anderen over dood en sterfelijkheid denken. Filosofie, opgevat als wijsbegeerte, blijft immers een kwestie van dialoog, in het besef van iets gemeenschappelijks, ons menszijn.

 

maandag 29 december 2025

Nachtwandeling

.

Nachtwandeling

Laat mij nachtwandelen

Zinken in mijn lijf

Zakken in vertrouwen 

De vertrouwdheid van duisternis 

Het donkere zwijgen van natuur 

Met overal bomen 

En soms een hertenpaar

Of een uil

Allemaal eender

En elkaars gelijken

In gedachteloos bestaan

Een Wij

Laat mij ja

Afdalen in de nacht

Blij dat ik leef

 

vrijdag 26 december 2025

In het zicht van de dood (4): Gedwongen leven in het hier-en-nu

De situatie van mijn geliefde maakt veel onvanzelfsprekend. Zo ook tijd, en met name de beleving ervan.

Heel veel is de laatste keer, en dat weten we. 

Volgend jaar kerst is geen optie meer, en zeer waarschijnlijk geldt dat ook voor komend voorjaar.

Ongeneeslijk ziek betekent een aangekondigde dood, ook al weten we niet precies wanneer.

Het advies dat mijn vriendin vaak krijgt luidt: Geniet van elke dag. Geniet zoveel mogelijk, nu het nog kan.

Ik ben het ermee eens. En toch schuurt er iets. Wat?

(Het zijn vooral vragen die ik heb.)

 

Het voelt als veroordeeld zijn tot het hier-en-nu: leven zonder uitzicht op later, zonder toekomst. Wat valt dan allemaal niet weg?

Geen plezier meer hebben in wat komen gaat.

Geen plannen meer kunnen maken.

Geen projecten meer kunnen hebben. Zoals een studie afmaken. Of een reis ondernemen, samen. Of naar een expositie of een concert.

Er is geen volgend jaar meer, of later.

Zelfs iets simpels als een vakantie zit er niet meer in.

 

Alle leven gebeurt in het hier-en-nu, en dat beleven wij mensen binnen een ver vooruit liggende horizon, een onbekende: toekomst. Hetzelfde geldt voor het verleden, in de achteruitkijkspiegel: ook dit doet mee in hoe wij het heden beleven. Kortom, wat voor en achter mij ligt in tijd doet altijd mee, ook ongemerkt. Het heet tijdbesef. 

Het maakt dat ik nooit alleen maar in het hier-en-nu leef. Dit ligt ingebed in een met herinneringen en verwachtingen geladen besef van tijd, waaraan een belevenis z’n gewicht, waarde en betekenis ontleent. Als een horizon waartegen hetgeen nu gebeurt reliëf krijgt. Tegelijk met het hier-en-nu is er die horizon; het een is er niet zonder de ander. (Je zou het een vorm van transcendentie kunnen noemen.)

 

Dit wordt des te duidelijker wanneer die horizon heel dichtbij komt te liggen, terwijl je weet dat er heel veel blijft gebeuren voorbij die sterk ingeperkte horizon. 

Pijnlijk, deze discrepantie.

 

Niets om nog naar uit te kijken.

Niets meer te verwachten.

Niets meer kunnen hopen.

 

Hoe zal een kind zich ontwikkelen, groeien, zich ontplooien?

Wat zal er van hem of haar worden?

Hoe zullen de levens die je tot nu toe hebt gekend verdergaan, zonder dat je er zelf bij zult zijn om het mee te maken?

Wat gaat er van de planeet worden?

Hoe zal het verder gaan met de wereld, dichtbij en verder weg?

 

Is er nog een reden om geïnteresseerd te zijn in wat er gaat gebeuren? In levens van anderen? Of in de wereld? – nog afgezien van de vraag hoe je eigen leven verder had kunnen gaan.

 

Moeilijk om te leven zonder enig vooruitzicht in de tijd.

Voluit leven zonder alsmaar wijkende horizon, kan dat?

 

(Vraag die ook bij mij opkomt: Zou het kunnen dat hiernamaalsconstructies – van reïncarnatie tot en met hemel – een weigering zijn om het eindige leven onder ogen te zien? – uit nood geboren... Heel begrijpelijk, deze weigering, maar getuigt zij ook van werkelijkheidszin?)

 

Ik weet ook – meer dan ooit – dat ik zal sterven. Aangezien mijn dood zich nog niet heeft aangekondigd, blijft mijn horizon zich openen. Maar wat als deze zich onverbiddelijk aan het sluiten is, zoals mijn geliefde ervaart?

woensdag 17 december 2025

In het zicht van de dood (3): Overgave

Ruim een week geleden overviel me iets opmerkelijks. Het gebeurde tijdens een nachtwandeling, nabij de hospice waar mijn geliefde verblijft. Het was aardedonker. Omgeven door bos. Tussen de kale takken was een flonkerende sterrenhemel te zien.

Ik stond stil. Ik had ruim een uur gewandeld.

(Moeilijk om de juiste woorden te vinden voor wat er gebeurde, zonder in de banaliteit van grote woorden te vervallen.)

‘Openheid’ overmande mij, niet alleen in mijn hoofd, niet-denkend, maar in mijn hele lijf. Open voor de donkere gestalten om mij heen, en voor de grond onder mijn voeten. Open voor de frisse lucht, - het was niet koud. Open voor de stilte. Open ook voor de oneindige ruimte boven mij. 

Mijn handen gloeiden. En zo ook mijn hoofdhuid. (Ik had mij uit kunnen kleden, maar niet gedaan.)

Wat in mij zonk was rust. En ontspanning, letterlijk. Mijn armen naar beneden. Elke dreiging viel weg.

De natuur was niet alleen om mij heen; ik was er deel van. Niet nodig om nog iets op afstand te houden; de afstand was vervlogen.

Het voelde als overgave. Overgave aan de krachten van de natuur. In tastbare aanwezigheid van alles.

De bomen om mij heen stonden rustig waar ze stonden. Niets bewoog. Stilte.

De overgave gaf me ademruimte, ruimte in mijn borst, terwijl ik daar stond in het aardedonker. De ruimte bracht méér dan droefheid over het lot van mijn geliefde. 

Meer dan droefheid kreeg ruimte, - alsof ik me al die tijd in een kramp had bevonden.

Overgave ook aan wat je ‘lot’ zou kunnen noemen: aan wat moet komen. Onontkoombaar. En er vrede mee hebben. (Kan dat? Ja, het kan.) Verzet loslaten, evenals de hoop dat het toch anders zal gaan. 

In plaats daarvan: me overgeven aan de loop der dingen, zonder tekst ertussen.

Moeilijk om te beschrijven wat dit allemaal deed, wat het teweegbracht.

Niet ver van de plek waar dit gebeurde lag mijn vriendin.

Ja, ik hou van haar, en dat zal zo blijven, ook na haar dood, en ook wanneer het leven andere wendingen neemt.

In de dagen erna zinderde deze gebeurtenis nog door.

Ik probeerde het intense gevoel opnieuw op te roepen, maar dat lukte niet.

Is zo’n ervaring überhaupt opnieuw op te roepen? Waarschijnlijk niet.

Wat overblijft is een herinnering. En deze is zonder enige twijfel waardevol. Eraan denken is gedenken wat zich toen opende, of openbaarde.

Ook zonder de levendigheid van de ervaring is er het effect.

Zijn rituelen ervoor om de herinnering aan een intense ervaring levend te houden?

En misschien ook om de ontvankelijkheid open te houden voor een herhaling ervan.

Zij valt niet op te roepen, noch af te dwingen of te organiseren.

De aandacht ervoor houdt de mogelijkheid open. 

Evenals berusten in de overgave, en er zijn voor mijn geliefde. 

Veel meer kan ik niet doen.