Het veranderlijke en het blijvende als oeroud spanningsveld. Nog steeds?
.
Hoe te dealen met een alsmaar veranderende en diverser wordende wereld? Is er een mogelijkheid om zich er – al is het maar tijdelijk – aan te onttrekken?
In de Europese filosofie beweegt zich een oeroud spanningsveld: dat tussen het veranderlijke en het blijvende. Om te beginnen met Heraclitus, de filosoof van het worden: ‘alles stroomt, en niets is blijvend’, versus Parmenides die meende dat alleen datgene wat als ‘zijnd’ gedacht kan worden ook echt bestaat, oftewel: de ware werkelijkheid is eeuwig en onveranderlijk. Met Plato als degene die geprobeerd heeft beide tezamen te denken.
De basisvraag is, lijkt me: hoe de verscheidenheid van alle fenomenen en hun veranderlijkheid te begrijpen én hoe ermee om te gaan? Met begrijpen als een manier van ermee omgaan. (Ik ga niet mee in de opvatting dat het in filosofie slechts om willen weten of begrijpen zou gaan. Van begin af aan stond er iets op het spel, in existentiële zin: waarom zou je erover nadenken? Oftewel: de werkelijkheid en het leven geven te denken. Vraag is dus: op welke vraag of behoefte was het concipiëren van het spanningsveld een antwoord?)
Een hele ideeëngeschiedenis zou kunnen worden geschreven louter op het spanningsveld tussen het veranderlijke en het blijvende: van de oude Grieken tot en met Hegel en Schopenhauer. Variërend van het welgemoed willen meebewegen in een wereld-in-verandering enerzijds, en anderzijds het terugbrengen van alles tot geest of bewustzijn, als twee polen met veel ertussen.
Daarna, vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, lijkt het spanningsveld tussen het veranderlijke en het blijvende uit zicht te verdwijnen. Wat is er veranderd dat het oeroude spanningsveld niet meer actueel is? Of is het slechts schijn dat we geen onderscheid meer maken tussen het veranderlijke en het blijvende?
We hebben nog steeds te maken met natuurlijke veranderingen – van dag-en-nacht tot en met geboorte-en-dood. Tegelijk is er van alles bijgekomen. Niet alleen economisch en technologisch, maar ook in termen van verschillen – ‘differenties’ – en dat op tal van terreinen. Alles is ‘multi’ aan het worden: van sekse-en-gender tot en met cultuur en religie. Deze verandering-in-de-breedte is filosofisch gethematiseerd in verschillende vormen van differentiedenken (Heidegger, Deleuze, Irigaray, e.a.).
Diversificatie – verandering-in-de-breedte – is volop gaande, en wordt ondertussen oneindig versterkt door een andere, ingrijpende ontwikkeling: de digitale revolutie. Zij is nog maar net begonnen. Tovercode: AI. Zelfs het denkbare wordt getart.
Digitaal revolutionair overschrijdt het mogelijke steeds vaker het wenselijke, en het is onduidelijk waar, en hoe, dit gaat eindigen, als er überhaupt nog sprake zal zijn van een einde, laat staan een doel. Minstens stelt het voor de vraag: hoe ver willen we dit laten gaan? En zijn we nog wel in staat om daarover te beslissen? – afgezien van tal van voordelen die niemand kwijt wil.
We hebben meer en meer te maken met een nieuwe vorm van transcendentie, in de meeste letterlijke zin, dat wil zeggen: het overschrijden van het menselijke, inclusief almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid, resulterend in een nieuwe onoverzichtelijkheid.
Natuurlijke cycli, differenties en AI: ziedaar de tumultueuze veranderlijkheid die onze wereld kenmerkt. Hoe ermee om te gaan? Wat roept dit op? Kunnen we het (nog) aan?
Is het okay – en een kwestie van wennen – om ‘gewoon’ maar mee te gaan met de flow aan veranderingen? Of hebben wij in een wereld die alsmaar verandert – en steeds sneller – toch behoefte aan ‘iets’ dat hetzelfde blijft, als existentieel rustpunt?
En als het laatste het geval is, wat komt dan in aanmerking? Kunnen we nog uit de voeten met eerdere kandidaten voor het blijvende? - zoals begrip (willen begrijpen wat er gaande is), essenties, ideeën, tot en met hele wereldbeelden.
Al deze vroegere zekerheden lijken deel te zijn geworden van gedigitaliseerde processen, met in de aanbieding: tal van alternatieve opties. (Je zou er zo over kunnen denken, maar ook heel anders.) We zijn komen te leven in een spirituele supermarkt, en de filosofie ontkomt er niet aan er ook deel van uit te maken. Hoe hierin een keuze te maken die existentieel – dat wil zeggen: niet in het algemeen, maar voor mij – relevant is?
We zijn ver verwijderd geraakt van de wereld waarin het spanningsveld tussen het veranderlijke en het blijvende voor het eerst een thema werd, eeuwen, ja millennia geleden. Terugkeren naar vroegere antwoorden is zoiets als terug willen naar voormoderne tijden, met weglating van alles wat in de tussentijd is gaan zorgen voor de dagdagelijkse verandering en turbulentie zoals wij die kennen. Geloofwaardig?
Wat komt nog in aanmerking? Meditatieve praktijken misschien? Ook zij stammen uit vroeger tijden. Maar niet alleen dat. Ontdaan van alle cultureel-historische aanslibbingen, gaat meditatie terug op wat door de tijd heen niet lijkt te zijn veranderd, als mogelijkheid, namelijk: open aandacht voor wat zich voordoet in onze geest en in de rest van ons hele lijf, zonder ideeën vooraf, noch een conceptueel kader, en toch stevig; simpelweg gewaarworden wat zich voordoet. Is dat een optie voor de behoefte aan een existentieel rustpunt in een rusteloos veranderende wereld?
Om de vraag voor mijzelf te beantwoorden wat betreft meditatie: om mee te beginnen, ja. Als basis. Tegelijk blijft willen-begrijpen mij bezighouden en ik zal er ook mee doorgaan, maar rust geeft het zelden. Is dat erg? Nee, net zomin als dat ik afkerig ben van participeren in een wereld-in-verandering. Het een verruimt de aandacht voor het andere. Niet om meer grip te krijgen op wat er gebeurt, ook in mij, maar juist om uit de grip ervan te geraken. Willen begrijpen lijkt wat dat betreft niet meer te voldoen als schepper van het blijvende als rustpunt. Tijd voor een ander spanningsveld.