Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

donderdag 18 juni 2026

Het veranderlijke en het blijvende als oeroud spanningsveld. Nog steeds?

.

Hoe te dealen met een alsmaar veranderende en diverser wordende wereld? Is er een mogelijkheid om zich er – al is het maar tijdelijk – aan te onttrekken?


In de Europese filosofie beweegt zich een oeroud spanningsveld: dat tussen het veranderlijke en het blijvende. Om te beginnen met Heraclitus, de filosoof van het worden: ‘alles stroomt, en niets is blijvend’, versus Parmenides die meende dat alleen datgene wat als ‘zijnd’ gedacht kan worden ook echt bestaat, oftewel: de ware werkelijkheid is eeuwig en onveranderlijk. Met Plato als degene die geprobeerd heeft beide tezamen te denken. 

 

De basisvraag is, lijkt me: hoe de verscheidenheid van alle fenomenen en hun veranderlijkheid te begrijpen én hoe ermee om te gaan? Met begrijpen als een manier van ermee omgaan. (Ik ga niet mee in de opvatting dat het in filosofie slechts om willen weten of begrijpen zou gaan. Van begin af aan stond er iets op het spel, in existentiële zin: waarom zou je erover nadenken? Oftewel: de werkelijkheid en het leven geven te denken. Vraag is dus: op welke vraag of behoefte was het concipiëren van het spanningsveld een antwoord?)

 

Een hele ideeëngeschiedenis zou kunnen worden geschreven louter op het spanningsveld tussen het veranderlijke en het blijvende: van de oude Grieken tot en met Hegel en Schopenhauer. Variërend van het welgemoed willen meebewegen in een wereld-in-verandering enerzijds, en anderzijds het terugbrengen van alles tot geest of bewustzijn, als twee polen met veel ertussen.

 

Daarna, vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, lijkt het spanningsveld tussen het veranderlijke en het blijvende uit zicht te verdwijnen. Wat is er veranderd dat het oeroude spanningsveld niet meer actueel is? Of is het slechts schijn dat we geen onderscheid meer maken tussen het veranderlijke en het blijvende?

 

We hebben nog steeds te maken met natuurlijke veranderingen – van dag-en-nacht tot en met geboorte-en-dood. Tegelijk is er van alles bijgekomen. Niet alleen economisch en technologisch, maar ook in termen van verschillen – ‘differenties’ – en dat op tal van terreinen. Alles is ‘multi’ aan het worden: van sekse-en-gender tot en met cultuur en religie. Deze verandering-in-de-breedte is filosofisch gethematiseerd in verschillende vormen van differentiedenken (Heidegger, Deleuze, Irigaray, e.a.).

 

Diversificatie – verandering-in-de-breedte – is volop gaande, en wordt ondertussen oneindig versterkt door een andere, ingrijpende ontwikkeling: de digitale revolutie. Zij is nog maar net begonnen. Tovercode: AI. Zelfs het denkbare wordt getart.

 

Digitaal revolutionair overschrijdt het mogelijke steeds vaker het wenselijke, en het is onduidelijk waar, en hoe, dit gaat eindigen, als er überhaupt nog sprake zal zijn van een einde, laat staan een doel. Minstens stelt het voor de vraag: hoe ver willen we dit laten gaan? En zijn we nog wel in staat om daarover te beslissen? – afgezien van tal van voordelen die niemand kwijt wil.


We hebben meer en meer te maken met een nieuwe vorm van transcendentie, in de meeste letterlijke zin, dat wil zeggen: het overschrijden van het menselijke, inclusief almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid, resulterend in een nieuwe onoverzichtelijkheid. 

 

Natuurlijke cycli, differenties en AI: ziedaar de tumultueuze veranderlijkheid die onze wereld kenmerkt. Hoe ermee om te gaan? Wat roept dit op? Kunnen we het (nog) aan?

 

Is het okay – en een kwestie van wennen – om ‘gewoon’ maar mee te gaan met de flow aan veranderingen? Of hebben wij in een wereld die alsmaar verandert – en steeds sneller – toch behoefte aan ‘iets’ dat hetzelfde blijft, als existentieel rustpunt?

 

En als het laatste het geval is, wat komt dan in aanmerking? Kunnen we nog uit de voeten met eerdere kandidaten voor het blijvende? - zoals begrip (willen begrijpen wat er gaande is), essenties, ideeën, tot en met hele wereldbeelden. 

 

Al deze vroegere zekerheden lijken deel te zijn geworden van gedigitaliseerde processen, met in de aanbieding: tal van alternatieve opties. (Je zou er zo over kunnen denken, maar ook heel anders.) We zijn komen te leven in een spirituele supermarkt, en de filosofie ontkomt er niet aan er ook deel van uit te maken. Hoe hierin een keuze te maken die existentieel – dat wil zeggen: niet in het algemeen, maar voor mij – relevant is?

 

We zijn ver verwijderd geraakt van de wereld waarin het spanningsveld tussen het veranderlijke en het blijvende voor het eerst een thema werd, eeuwen, ja millennia geleden. Terugkeren naar vroegere antwoorden is zoiets als terug willen naar voormoderne tijden, met weglating van alles wat in de tussentijd is gaan zorgen voor de dagdagelijkse verandering en turbulentie zoals wij die kennen. Geloofwaardig?

 

Wat komt nog in aanmerking? Meditatieve praktijken misschien? Ook zij stammen uit vroeger tijden. Maar niet alleen dat. Ontdaan van alle cultureel-historische aanslibbingen, gaat meditatie terug op wat door de tijd heen niet lijkt te zijn veranderd, als mogelijkheid, namelijk: open aandacht voor wat zich voordoet in onze geest en in de rest van ons hele lijf, zonder ideeën vooraf, noch een conceptueel kader, en toch stevig; simpelweg gewaarworden wat zich voordoet. Is dat een optie voor de behoefte aan een existentieel rustpunt in een rusteloos veranderende wereld?

 

Om de vraag voor mijzelf te beantwoorden wat betreft meditatie: om mee te beginnen, ja. Als basis. Tegelijk blijft willen-begrijpen mij bezighouden en ik zal er ook mee doorgaan, maar rust geeft het zelden. Is dat erg? Nee, net zomin als dat ik afkerig ben van participeren in een wereld-in-verandering. Het een verruimt de aandacht voor het andere. Niet om meer grip te krijgen op wat er gebeurt, ook in mij, maar juist om uit de grip ervan te geraken. Willen begrijpen lijkt wat dat betreft niet meer te voldoen als schepper van het blijvende als rustpunt. Tijd voor een ander spanningsveld.


maandag 15 juni 2026

Op reis in eigen stad: bezoek aan expo in Filmmuseum

 .

Op reis in eigen stad. Gisteren tentoonstelling in Filmmuseum bezocht: ‘Nieuwe perspectieven op koloniaal filmerfgoed’. Erg weinig bezoekers. Ten onrechte, wat mij betreft. Heb films en fragmenten gezien die indruk maakten en me te denken gaven over ‘ons’ koloniale verleden.

 

Ik had geen speciale reden om naar de expo in het Filmmuseum te gaan. Vrij willekeurig gekozen als bestemming voor ‘reizen in eigen stad’, een projectje dat ik enige tijd geleden ben begonnen. Hoe goed ken ik Amsterdam, mijn eigen woonplaats, eigenlijk? 

 

Heden en toekomst interesseren me meer dan het verleden. Tijdens mijn bezoek aan de tentoonstelling dacht ik: is dat toch niet iets te gemakkelijk gezegd?

 

Nederland vind ik doorgaans nogal een keurig, geregeld, saai burgerlijk landje, prettig aangeharkt. Alles wat daar niet aan voldoet, wordt breed uitgemeten in kranten, talkshows en andere media. En als het even kan, volgen er dan Kamervragen, etc. 

 

Amsterdam gaat langzamerhand ook in die richting, helaas. In zijn geschiedenis door Russell Shorto ooit beschreven als ‘de meest vrijzinnig stad ter wereld’. Wat is daar nog van over? Meer en meer wordt Amsterdam een doorsnee Nederlandse stad. Gelukkig valt er nog wel net iets meer te beleven dan elders in het land. 

 

Wanneer je het verleden erbij haalt, blijkt er veel meer aan de hand dan de saai burgerlijke oppervlakte doet vermoeden. Zowel glorieus, als ook beladen.

 

Uit de brochure bij de expo in het Filmmuseum: 

‘In de tentoonstelling gaan elf kunstenaars in dialoog net Eye’s deelcollectie van zo’n 2000 koloniale films afkomstig uit voormalig bezette gebieden in Indonesië en Suriname. De kunstenaars, afkomstig uit diverse landen, deden twee jaar lang onderzoek naar de verzameling van deze vaak problematische beelden. Zij maakten tien nieuwe werken gebaseerd op deze films. Daarmee leggen ze koloniale structuren en praktijken bloot en bevragen ze de rol van film in het bestendigen van macht. Want wie had er in de koloniale maatschappij toegang tot de camera, en wie niet? Wat liet die camera zien, met welke bedoeling, en wat zien we niet op deze beelden?’

 

Heb niet alles kunnen zien; ik ga er nog een keer heen.

 

In een van de films die ik zag, zeiden geïnterviewden herhaaldelijk, op de vraag wat zij hadden geërfd van hun voorouders: moed, de kracht om te overleven, en ook inspiratie, met name spiritueel-religieus. Mooi om te horen, sterk in contrast met de filmbeelden waarin koloniale machtsverhoudingen baden in vanzelfsprekendheid.

 

Door wat ik hoorde en zag, vroeg ik mij af: wat doe ik eigenlijk met mijn verleden? Wie waren mijn voorouders? - voornamelijk boeren in Zuid-Holland, en dat al heel lang. Wat heb ik van hen geërfd? Ik heb het me zelden afgevraagd. Komt het erop aan mijn voorgeschiedenis te onderzoeken? Eigen familie? Breder? En zo ja, waartoe? 

 

Terug naar huis strandde ik in Keti Koti, in het Westerpark. Een culturele markt met eten, kunst, kleding, en muziek natuurlijk.  Door de tentoonstelling hoorde ik de muziek nu toch anders. Er klonk een hele geschiedenis in mee, slavernij met name, en de bevrijding ervan: ‘ketenen gebroken’.Heden en toekomst interesseren me meer dan het verleden. Tijdens mijn bezoek aan de tentoonstelling dacht ik: is dat toch niet iets te gemakkelijk gezegd?


 

dinsdag 9 juni 2026

Filosofieweek: AMOR FATI: LIEFDE VOOR HET LOT! (5 – 9 augustus 2026, ISVW, Leusden)

 .

Wat betekent het om te leven vanuit een diepe acceptatie van het leven? Kunnen we het hele leven omarmen: niet alleen de mooie kanten, maar ook de donkere, inclusief lijden, doodgaan, en vergankelijkheid van alles en iedereen? Wat voor levenshouding is daarvoor nodig?

 

In de moderne tijd zijn we eraan gewend geraakt dat we veel naar onze hand kunnen zetten. We menen macht te hebben over ons leven. Lot is zo goed als verdwenen uit ons denken. Voorkeuren en verlangens bepalen de dagelijkse `bril. De neiging bestaat het leven voorwaardelijk of selectief te benaderen, om alleen af te gaan op wat bevalt, en te vermijden wat niet bevalt. Maar hoe realistisch is deze wens? Is het lot echt verleden tijd?

 

Een optie is om onvoorwaardelijk het leven te beamen zoals het is, of minstens een poging daartoe te wagen. Waarom zouden we dat doen? En wanneer we dit doen, welke plaats krijgt dan lijden en ellende? Wat gebeurt er met hoop en het verlangen naar beter? 

 

En niet onbelangrijk: is het leven wel het liefhebben waard? Niet iedereen zal daar volmondig ja op zeggen. Wat zijn hun bezwaren?

 

In deze cursus onderzoeken we levensaanvaarding en het spanningsveld tussen werkelijkheid en idealen. We doen dit aan de hand van m.n. Aristoteles, Spinoza, Schopenhauer, Nietzsche, De Beauvoir, en Camus. Ook zullen we Oosters denken aan bod laten komen: Taoïsme en Boeddhisme. Hoe dachten zij over levensdoel, veranderingen, vriendschap sluiten met jezelf, lijden, verzet tegen je lot, levensvreugde en creativiteit?

 

De cursus heeft het karakter van een workshop. Naast inleidingen op de filosofen, zullen we teksten lezen en bespreken, en een koppeling maken met de eigen ervaring.

 

.

Docent: drs Dries Boele 
Organisatie: ISVW 

Plaats: Leusden

Wanneer: 5 t/m 9 augustus 2026
Voor meer informatieinfo@isvw.nl

Website/ inschrijvenhttps://isvw.nl/activiteit/amor-fati-liefde-voor-het-lot/

Tel: 033 - 4650700
Kosten: v.a. 1074,-

.

woensdag 3 juni 2026

In het zicht van de dood (8): Urn

.

Een week geleden hebben we de urn met as van mijn geliefde bijgezet op de begraafplaats, niet ver van de hospice waar ze is overleden.

Het was een gedenkwaardige gebeurtenis en tegelijk bevreemdend.

We waren met een klein groepje: haar directe familie en ik.

Het was een zonnige dag.

Vanuit het gebouw waarin ook de aula is, werd de urn naar de daarvoor bestemde plek op de begraafplaats gebracht. 

Mij werd gevraagd of ik de urn wilde dragen. Dat heb ik gedaan.

De urn was niet heel licht, noch zwaar. Een paar kilo.


Het voelde heel vreemd om de urn te dragen met daarin de as van Jaël, vooral omdat ik er zo goed als niets bij voelde. As. Alsof er helemaal niets van mijn geliefde over was. In ieder geval niets herkenbaars, of niet iets dat mij aan haar deed denken, behalve as.

Op de begraafplaats realiseerde ik me het grote verschil met een graf. Ik had er al eerder aan gedacht, maar nu voelde het heel sterk. 

Na overlijden ligt in een kist het lijk van de overledene. Het ‘stoffelijk overschot’, zoals dat heet. In eerste instantie nog herkenbaar: het lijk dat ligt opgebaard tijdens de begrafenisplechtigheid in de aula is dat van de overledene. 

Ook toen wist ik: het lijk is niet meer mijn geliefde Jaël. Het leven is eruit. Haar unieke leven. Maar het lijk dat ik toen zag, deed nog wel sterk denken aan de Jaël die ik in levenden lijve heb gekend. Wat ik zag riep herinneringen op, herinneringen aan toen zij nog leefde.

Een graf is een soort voortzetting van deze combinatie: wetend dat er een lijk ligt, in een kist, onder de grond, komen er herinneringen op. Weten dat het lijk er ligt is voldoende, ja versterkt het zich herinneren van de geliefde.

Met as in een urn is de situatie volkomen anders, - althans, dat was mijn ervaring. Alsof er geen aanhechtplaats meer is. Alsof er geen plek meer is waar mijn herinneringen kunnen aanmeren. Alsof een grote verdamping heeft plaatsgevonden. 

En inderdaad, er is zelfs geen lijk meer dat zelf herinnering is van het levende lijf eerder.

Zoals het ‘stoffelijk overschot’ langzaam zou zijn verteerd en weer opgenomen in de cyclus van de tastbare en alsmaar veranderende natuur, zo zou ook de herinnering aan de geliefde langzaamaan vervagen en plaats maken voor nieuw leven. Beide sterven weg.

Bij een urn met as is dat niet zo, - althans, zo ervaar ik het. Ik moet herinneringen ophalen zonder dat er nog een connectie is die daartoe uitnodigt.


Herinneringen aan mijn geliefde Jaël komen nog steeds op, vrijwel dagelijks. Soms heel heftig, als een groot gemis dat mijn leven een stuk kaler heeft gemaakt. Ja, als een diepe wond die nog niet geheeld is. Vaak ook voelt het als een schrijnende pijn op de achtergrond, ver genoeg om me er niet dagelijks door overmand te voelen, maar tegelijk latent genoeg om op te laaien als er zich iets voordoet wat me aan haar doet denken. Zoals de winkel waar ze werkte. Of bioscopen waar we vaak naartoe gingen. Restaurants. Museumbezoek. Sommige straten...

Het leven gaat door, inderdaad.

Na de dood van Jaël heb ik mezelf een soort van mini-retraite gegund. Om bij te komen. Om te verwerken. Om terug te denken aan wat er het afgelopen jaar is gebeurd. (Een jaar geleden rond deze tijd was er eigenlijk nog niets aan de hand.) En om mij te bezinnen op hoe verder.


Vorige week, ongeveer honderd dagen na het overlijden van mijn geliefde, was het bijzetten van de urn met de as. Het was een gedenkwaardig moment. 

Heel fijn om haar familie weer te hebben gezien. Fijn ook om herinneringen te hebben opgehaald, onder andere aan de hand van brieven en andere post van jaren geleden die mijn geliefde had bewaard.

Mijn herinneringen aan haar zal ik blijven koesteren, - niet alleen de tijd met haar toen zij ziek werd en alsmaar zieker, het afgelopen jaar, maar heel onze tijd samen. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik heel erg blij ben dat zij in mijn leven is geweest. Veel te kort, helaas, maar toch.

Het was de wens van mijn lieverd om gecremeerd te worden, en ik respecteer die wens volkomen. Toch vind ik het jammer dat ik haar niet bij een graf kan gedenken.

Hoe dan ook, ook zonder urn zal ik aan haar blijven denken, met weemoed en in liefdevolle herinnering. 


Zal ik mij ooit laten cremeren? Lange tijd kon het wat mij betreft allebei. Begraven of cremeren: ik had geen speciale voorkeur. Door wat het bijzetten van de urn met mij deed, geef ik nu toch de voorkeur aan begraven, en wel om intimi en andere mensen die mij hebben gekend langzaam te laten wennen aan mijn verdwijning, mochten er herinneringen overblijven die onzichtbaar te koppelen zijn aan een langzaam verterend lijk onder de grond. 

zaterdag 23 mei 2026

Natuurlijke ronding

 .

Natuurlijke ronding

 

In sloten bij de begraafplaats, kikkers die luid kwaken om de aandacht van vrouwtjes

Op het land, bloemen die temidden van grassen pronken met hun kleurenpracht 

En bomen die, de een na de andere, weer in bloei komen staan, fris groen 

Ditzelfde feestje gebeurt al duizenden, ja miljoenen jaren, elk voorjaar opnieuw

En het gaat ook elke keer weer over, ten onder in doodgaan of een tijdelijk zwijgen 

Om toch weer terug te komen als een nieuwe geboorte, telkens weer

In een eindeloos cirkelende cyclus die natuur heet

En wij mensen doen hetzelfde, in net iets andere variant 

Van lente, zomer, herfst en zo verder

Met dit verschil, dat we er een stukje over schrijven 

En ons doodgaan gedenken, tijdelijk, op een begraafplaats 


woensdag 15 april 2026

Filosofieweek: FILOSOFIE ALS MANIER VAN LEVEN (11 – 15 mei 2026, ISVW, Leusden)

 

Filosofie was in de Oudheid meer dan een theorie. Zij was eerst en vooral een levenswijze, inclusief oefeningen. Theorie stond in het teken van de vraag hoe te leven. Zij bood een scala aan opvattingen die in de eerste plaats geleefd dienden te worden. Hoe ging dat toen in z’n werk? En zou zo’n levenswijze ook voor ons nog een optie zijn, bijvoorbeeld als een seculier alternatief voor religie?

.

Voor veel mensen is religie niet meer de aangewezen plek voor hun levensvragen. Zou filosofie onderdak kunnen bieden aan onze existentiële vragen, behoeften en verlangens? Wat zou daar dan voor nodig zijn?

.

Eerst zullen we filosofen uit de Oudheid onderzoeken op de levenswijze die zij voorstonden. Met name Epicurus en Stoa. Wat was hun ideaal? En hoe brachten zij dat in praktijk? Wat te doen en hoe te denken om een gelukkig en optimaal leven te leiden? 

.

Vervolgens treffen we een vergelijking met Taoïsme en Zen. Wat hebben zij te bieden? Hoe anders is hun blik op het leven? Of is het minder vreemd dan het lijkt? 

.

Voor een hedendaagse blik op filosofie en levenskunst zullen we te rade gaan bij Nietzsche, Sartre, Foucault, Taylor en Irigaray. Hoe dachten zij over zaken als (voluit) leven en liefde, lijden en sterfelijkheid, vrijheid en macht, creativiteit en authenticiteit?

.

Vraag blijft of het mogelijk/ wenselijk is om ook nu filosofie weer op te vatten als een levenswijze. Leven wij ondertussen niet in een ander soort tijd en cultuur, met andere eisen aan het leven en aan onszelf? Wat is er anders geworden? En waarin kunnen we nog leren van de vroegere levenskunstfilosofen?

.

Naast inleidingen op de genoemde filosofen, bestaat de cursus uit het lezen en bespreken van teksten, plus enkele oefeningen, in een koppeling met de eigen ervaring.

.

Docent: drs Dries Boele 
Organisatie: ISVW 

Plaats: Leusden

Wanneer: 11 t/m 15 mei 2026
Voor meer informatie
info@isvw.nl

Website/ inschrijvenhttps://isvw.nl/activiteit/filosofie-als-manier-van-leven/

Tel: 033 - 4650700
Kosten: v.a. 1074,-

.

woensdag 4 maart 2026

In het zicht van de dood (7): Nagedachte

 .

Wat stelt bezit voor als het bij je dood in de vuilnisbak verdwijnt? Waar hecht ik eigenlijk aan? En: Hangt de wereld van herinneringen aan elkaar?

Met familie en een goede vriend begin deze week het huis van mijn vriendin bijna helemaal leeggehaald. Pijnlijk om door al die spullen heen te gaan zonder dat de betreffende persoon er nog bijgehaald kan worden. Nooit meer. Evenmin kan ik haar bedanken voor de dierbare dingen die ik mee heb genomen, als aandenken.

Heel veel in haar huis had eerst en vooral betekenis voor haar. Dingen waar zij aan hechtte, die zij met interesse en liefde had verzameld, waar zij aandacht in had gestopt. Vanwege een vakantie of een reis die zij ooit had ondernomen. Vanwege een eerdere liefde, of werk dan wel een studie. Vanwege een gebeurtenis die voor haar belangrijk was. 

 

Zonder deze persoonlijke band, dit extra, onderging het meeste een forse betekenisinflatie. Het werd gewoon een ding: een poster, een boek of een souvenir zoals je die elders in meervoud aantreft. Of het betrof een aandenken dat voor ons, de achterblijvers, geen aandenken was.

Bij het opruimen verdween dus veel in de afvalbak. Kon het anders? Of het kwam op straat te staan, voor wie er wat mee kan.

Wat blijft wel?

Herinneringen die ik aan mijn geliefde heb. Zij zijn de mijne. Om te koesteren. En om te delen met anderen die haar ook hebben gekend. Als een milde droefheid, licht schrijnend, schuilen ze in mijn hart. Niemand kan ze me afnemen.(Misschien dat ze me over een poosje weer blij maken.)

En zoals het persoonlijke van haar spulletjes met haar verdween, zo zullen ook mijn herinneringen aan haar verdwijnen - met mij.


En dan te bedenken wat er met mijn eigen spullen gaat gebeuren wanneer ik uit het land der levenden verdwijn. Er is geen enkele reden om te menen dat het anders zal gaan. Wat heeft dat te betekenen? Gebruik is één ding, maar bewaren? Hoelang? En waarom? Als herinnering? Iets anders? Het zet me aan het denken over mijn eigen haat/liefde met dingen, inclusief verzamelwoede (zoals boeken).


‘Belangrijk is niet alleen de weg die je gaat, maar ook de sporen die je nalaat.’ Spullen komen in ieder geval niet in aanmerking. Wat wel? Liefde?

 

Weerhoudt het hechten aan dingen me ook ergens van? (Het vragen houdt niet op.)

 

Bezit, herinneringen, gehechtheden: de dood is een meester in ontnuchtering.