.
Hoe denk ik over dood en sterfelijkheid?
Jarenlang heb ik er niet of nauwelijks over nagedacht.
Ik werd geraakt door verlies. Verlies van ouders en vrienden. Heel verdrietig om hen kwijt te raken en zonder hen verder te moeten leven.
Maar verlies is nog niet hetzelfde als dood en sterfelijkheid. Deze onderwerpen hielden me niet echt bezig.
Waarom nu wel?
Misschien omdat mijn geliefde nog zo jong is? Of omdat het zo dichtbij komt?
Sinds juni van afgelopen jaar weet mijn vriendin dat ze uitgezaaide borstkanker heeft. Ongeneeslijk.
Dat heeft veel veranderd.
Op dit moment verblijft zij in een hospice. Vaak logeer ik daar ook.
Wat haar dood mij zal doen, weet ik niet, en nog minder wanneer mijn eigen dood aanstaande is. Maar ik ontkom er niet aan om er gedachten over te hebben.
Zullen de intuïties en opvattingen die ik ongemerkt toch heb over dood en sterfelijkheid veranderen door wat er de komende tijd gaat gebeuren?
Laat ik ze voor mijzelf expliciet maken.
Om niet onnadenkend aan idee-fixen vast te houden; om (meer) open te staan voor wat er gebeurt; en om gemakkelijker van gedachten te kunnen veranderen, mocht daar aanleiding toe zijn.
‘Oh, it is easy for the one who stands outside the prison-wall of pain to exhort and teach the one who suffers’, zoals Aeschylus ooit zei. Dus laat ik voor mijzelf spreken.
[17-1-26]
Hoe denk ik over dood en sterfelijkheid?
Als ik over deze vraag nadenk, kom ik telkens weer uit op één samenvattend woord: vergankelijkheid. Het besef ervan heeft meerdere lagen.
1.
Vergankelijkheid: alles is aan verandering onderhevig, niets is blijvend. En dat geldt ook voor mijzelf. Niets van mij is blijvend.
Misschien dat ik een tijdje voort blijf leven in de herinnering van nabestaanden.
Misschien dat iets van wat ik heb gedaan zich voortzet in wat anderen ermee doen.
En verder zal mijn lichaam, als lijk – tenzij ik mij laat cremeren -, voedsel zijn voor ander leven: wormen, schimmels, bacteriën, etc.
Tot nu toe heb ik vergankelijkheid opgevat als een gebeuren zonder uitzondering. Niets van mij, van mijn organisme met alles erop en eraan, zal voort blijven bestaan. Niets. Ook niet ‘iets’ – een ‘ziel’ of een ‘zelf’ of iets dergelijks – dat weer terugkomt in een ander levend wezen (reïncarnatie) of dat verhuist naar een of andere bovennatuurlijke werkelijkheid (hiernamaals).
Ik snap de wens om dat wel te willen. Bijvoorbeeld, om in een volgend leven beter, gezonder of langer te leven, of om weer te worden verenigd met een geliefde. (Zelf zou ik het liefst honderd keer nogmaals willen leven, want ik hou van het leven!) Maar hoe begrijpelijk ook, ik kan deze voorstellingen niet anders zien dan als vruchten van wensdenken, en misschien ook als weigering om de vergankelijkheid van alles en iedereen onder ogen te zien en te accepteren.
Dit is hoe ik ‘in het algemeen’ denk over dood en sterfelijkheid. Een soort achtergrondgedachte.
Heb ik er genoeg aan wanneer doodgaan een realiteit wordt?
2.
Ook relaties zijn vergankelijk.
Ik voel mij verbonden: met mijn geliefde, met mijn zoon, met vrienden en familie, en met heel veel meer. En als iemand sterft, betekent dat een pijnlijke verbreking. Een afgesneden raken. Zoals van mijn ouders en van dierbare vrienden. En dat voelde enkele keren als een amputatie. We gingen gezamenlijk door het leven, ook al was er fysiek afstand. Met hem of haar was ik een tijd intens verbonden. Hij of zij was deel geworden van mijn leven. En opeens is die ander er niet meer, of alleen in herinnering.
Hoe om te gaan met de pijn van het verlies, en het gemis?
Tot nu toe hielp de gedachte aan vergankelijkheid om de pijn te verdragen, en om uiteindelijk vrede te hebben met het verlies. Het verandert de pijn niet, maar zorgt wel voor verzachting.
Zal dat ook nu het geval zijn, wanneer ik afgesneden ga raken van mijn geliefde?
3.
Vergankelijkheid ontdoet het in-leven-zijn van z’n vanzelfsprekendheid en maakt ruimte voor mee-leven.
Wat de afgelopen periode, sinds duidelijk werd dat mijn geliefde ongeneeslijk ziek is, me heeft geleerd is dat doodgaan onderdeel is van het leven. Dat besef is er meer dan eerder. Wie leeft gaat dood. En ja, dat geldt voor alle leven.
Het komt er dus op aan te leren leven mét de dood, en wel als onontkoombaar ingrediënt, - een les die diep is binnengekomen.
Wat heeft dat teweeggebracht?
Minstens: een besef van de kwetsbaarheid van in-leven-zijn. En dat het een kostbaar gebeuren is, en zowel broos als hachelijk en onzeker, want verwondbaar, tot en met breken.
Leven kan er opeens niet meer zijn: dat van mijzelf, dat van een geliefde, en dat van elk ander levend wezen. Allemaal even breekbaar.
Dit beseffen zorgt voor hartverzachting, of hoe je het ook wilt noemen.
Altijd al heb ik van het leven gehouden. Aards, tijdelijk, tastbaar leven: het liefhebben meer dan waard! Deze liefde heeft zich verdiept met het besef dat een kloppend hart niet het eeuwige leven heeft, maar zomaar kan stoppen. Een rauwe gewaarwording die mij mild is gaan stemmen, en met (meer) compassie met al wat leeft.
Het besef van dood en sterfelijkheid is dus, wat mij betreft, zeker niet alleen een duistere domper op het leven.
De dood brengt een ongekend contrast aan, waardoor het wonderbaarlijke van in-leven-zijn zich toont. En dat geldt in het bijzonder voor het leven van degenen die ik liefheb.
Als de dood al duisternis is, dan licht alles wat bestaat des te meer op, en wel om te koesteren en te vieren!
Dit ongeveer is wat bij mij als eerste opkomt wanneer ik denk aan dood en sterfelijkheid. Er valt nog veel meer over te zeggen.
Ben benieuwd hoe anderen over dood en sterfelijkheid denken. Filosofie, opgevat als wijsbegeerte, blijft immers een kwestie van dialoog, in het besef van iets gemeenschappelijks, ons menszijn.