In het zicht van de dood
Tijdens nachtwandelingen in de donkere bossen rond de hospice waar mijn vriendin verblijft, roert zich diep ontzag in mij: niet voor God, maar voor de natuur, - waar wij minideeltjes van zijn, met een grote mond.
De mens – in het bijzonder de moderne – heeft zich helemaal losbewogen van de natuur die desondanks oppermachtig is en blijft.
Die eigendunk heerst met name in de stad. Daar hebben wij mensen het gevoel dat we onze eigen wereld maken, dat we zelf bepalen hoe een en ander verloopt, en dat strubbelingen en problemen geheel toe te schrijven zijn aan mensen. Als er iets misgaat, dan moet het wel op het conto van mensen geschreven worden. Immers, wie anders?
Maar is dat wel zo? Klopt het wel om onszelf zo exclusief in het middelpunt te zetten? Geeft het niet blijk van een grote, ja gigantische zelfoverschatting?
(Ook de God van het monotheïsme staat los van de natuur, meent er de schepper van te zijn. Is daarmee onze zelfoverschatting begonnen? – aangezien wij mensen zelf deze God, evenals alle andere, in het leven hebben geroepen.)
Met de ziekte van mijn vriendin – kanker, genetisch bepaald, en uiteindelijk, wat menselijk kunnen betreft, onmachtig om er iets aan te doen – realiseer ik me meer en meer hoe weinig wij mensen het in tal van zaken voor het zeggen hebben. Met name wanneer het gaat om leven en dood.
Een nachtwandeling in het gebied rondom de hospice krijgt hier een extra dimensie. In Amsterdam staat nachtwandelen in het Westerpark – ook donker – in contrast met de bedrijvigheid van de stad. Hier, buiten de stad, staat het wandelen door donkere bossen op zichzelf. Het contrast is zo goed als weg. Als er al een contrast is, dan is het niet de mensenwereld als basis waarmee gecontrasteerd wordt, maar andersom, de natuur. De natuurlijke omgeving, duisternis, de stille bossen, de immense sterrenhemel: wie ben ik dan? En wat hebben wij mensen in te brengen?
Als de natuur niet mee wil werken, dan kunnen we nog zoveel willen, maar het haalt niet veel uit, niets.
Zijn wij, of we er nu mee instemmen of niet, niet eerst en vooral onderdeel van een onmetelijke en overmachtige natuur?
Het kost me nog moeite om dit voluit tot me door te laten dringen, doordrenkt als ik ben, nog steeds, van denken waarin alles om de mensheid draait.
Ook al mogen we onszelf hoog prijzen met een bewustzijn dat openstaat voor alles en met geestelijke vermogens die in staat stellen om veel te begrijpen, menen dat we ‘heer en meester’ kunnen zijn over de natuur maakt ons lachwekkend. Nog idioter het denken dat blijft beweren dat alles gerelateerd is aan menszijn (of, een andere manier om hetzelfde te beweren: aan bewustzijn).
En gezien de huidige stand van cultuur, religie en ook filosofie, valt er dus veel te lachen, nog steeds.

0 reacties:
Een reactie posten
Aanmelden bij Reacties posten [Atom]
<< Homepage