Levenskunst, filosofie & seculiere spiritualiteit/ Dries Boele

zondag 20 september 2026

Heeft toekomstgerichte filosofie een metafysica nodig? Enkele notities

 .

0.

In reactie op mijn stuk over een Nieuwe Spiltijd (1), schreef Arnold Ziegelaar:

‘Voor ons als filosofen dienen we te beginnen met de eerste filosofie: metafysica. Alle cultuurfilosofie, politieke of religieuze filosofie is gefundeerd in metafysische opvattingen over de werkelijkheid en mens. Ook utopisch denken, waarvan ik een voorstander ben omdat het idee, het verlangen, en de ervaring van de utopie in de menselijke ziel leeft, kan niet zonder metafysica, anders wordt het wensdenken.’

 

Met Arnold ben ik het eens dat utopisch denken gemakkelijk blijft steken in wensdenken. De vraag is dan of een metafysica nodig is om dat te voorkomen.

 

Ten eerste zij opgemerkt dat denken over een Nieuwe Spiltijd wat mij betreft niet zozeer utopisch is als wel een heuristische hypothese (zoals ik in een ander stuk (2) heb proberen duidelijk te maken), - maar beide kan ook. 

 

Dan nog blijft de vraag overeind of een metafysica nodig is om een ‘cultuurfilosofie, politieke of religieuze filosofie’ te funderen. 

 

Ik heb vooral nagedacht over de vraag wat metafysica nu nog zou kunnen betekenen, en dan met name met het oog op een filosofie die toekomstgericht is, in plaats van gevangene te blijven van filosofie waarvan de parameters ooit zijn vastgesteld, in een verleden dat niet meer matcht met onze tijd. Nadenken over deze vraag heeft geresulteerd in een aantal notities.

 

 

I.

Metafysisch denken: waarom? Waartoe? Welke menselijke behoefte of verlangen wordt geadresseerd met het beoefenen van metafysica? Wat is de existentiële relevantie ervan?

 

 

II.

Met de vraag naar metafysica zitten we midden in de thematiek van de Spiltijd zelf. Immers, metafysica is een ‘uitvinding’ van het Griekse denken, - ontstaan ten tijde van de eerste Spiltijd dus. Als een nieuwe Spiltijd een fors vraagteken zet bij alles wat de vorige heeft voortgebracht, dan valt de metafysica daar dus ook onder. 

De menselijke conditie is sinds de tijd van de Grieken grondig gewijzigd, zeker in vergelijking met nu, nu klimaatverandering en digitale revolutie maken dat we als mensheid in een ongekende en diepgaande transformatie verkeren. 

Hoezeer is het metafysische denken, door de eeuwen heen ontwikkeld, nog doortrokken van die eerdere, nu verouderde ‘staat van geest’ of ’zit in het leven’? En als dat zo is, is het dan nog wel geschikt voor ons, nu? (3)

Een herbronnen en een herijken lijkt meer dan nodig!

 

 

III.1

Hoe niet ongemerkt een levensvisie en een wijze van denken overnemen waarmee we nu aan het breken zijn, waar we door veranderde omstandigheden afscheid van nemen, en die we achter ons willen laten, willen we optimaal openstaan voor wat aan het gebeuren is en voor wat komen gaat?

 

III.2

Menen dat filosofie ook nu nog een metafysica nodig heeft: is de kans dan niet groot dat we doorgaan met vragen en denkwijzen die wellicht lange tijd als zinvol werden ervaren, maar nu niet meer? Betekent het niet ongemerkt een voortbouwen op uitgangspunten die stammen uit lang vervlogen tijden? (4)

 

 

IV.

Nogmaals: als we nu (nog) van metafysica willen spreken, over wat voor metafysica hebben we het dan? Met wat voor vragen zou zij zich nu bezig kunnen houden? Met dezelfde vragen als waarmee zij begon, bij de Grieken? Zijn hun vragen ook nog de onze?

 

 

V.

Opvallend is dat de afgelopen millennia de meeste filosofen niet apart werk hebben gemaakt van een ‘metafysica’, - wat niet betekent dat zij geen aandacht hebben besteed aan metafysische kwesties. Wat zijn kwesties die aangemerkt zouden kunnen worden als ‘metafysisch’?

Bij de ‘stichter’ van deze filosofische discipline, Aristoteles, is de naam ‘metafysica’ pas achteraf gegeven aan een deel van zijn werk; zelf noemde hij het ‘eerste filosofie’. Wat voor soort denken komt in aanmerking voor ‘eerste filosofie’?

 

 

VI.

Wat te verstaan onder ‘metafysica’?

Doorgaans wordt metafysica voorgesteld als denken over het zijn als geheel, over oorzaken of beginselen van waaruit dat geheel te begrijpen valt, over een mogelijk fundament dan wel oorsprong, en eventueel: doel. Breed gezegd: wat kan er gezegd worden over het zijn als geheel in fundamentele zin? Dit denken werd van belang geacht om het denken over mens en wereld een solide basis te geven.

In hoeverre is zo’n denken ook nu van belang?

 

 

VII.

Als met metafysica bedoeld wordt: nadenken over een ‘eerste oorzaak’ – zoals Aristoteles deed en velen na hem -, dan roept dat ondertussen vragen op. 

Want, is er wel sprake van een ‘eerste oorzaak’? Waarom niet meervoudig veroorzaakt? Of onveroorzaakt? Is ‘eerste oorzaak’ misschien een fictie die terugverwijst naar degene die zich de vraag ernaar stelt?

Ruimer: vanwaar de vraag naar oorzakelijkheid? Is de vraag nog wel een betekenisvolle? Is zij wellicht uitdrukking van een ‘staat van geest’ of ’zit in het leven’ die goed voorstelbaar is in het oude Griekenland en de eeuwen erna, maar nu niet meer relevant? 

 

 

VIII-1

In veel metafysica – m.n. vóór Kierkegaard en Nietzsche – wordt een eenheid van denken en zijn verondersteld. Is een dergelijke eenheid nog vol te houden? Of is het zijn een denkconstructie? En als dat zo is, is er dan ook nog een anders-dan-zijn?

 

VIII-2

Als het zo is dat denken en zijn geen eenheid vormen, of dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen zijn (als denkconstructie) en anders-dan-zijn, heeft het dan zin om erover na te denken?

 

 

IX-1

Is metafysica: zich vragen stellen over de ‘aard van de werkelijkheid’? Vanouds betekent het dat er dan gevraagd werd naar een ‘wezen’ van alles en/of van de dingen; naar de verhouding tussen geest en materie; naar de verschijnende werkelijkheid, als onderscheiden van hetgeen waarvan zij de verschijning is; naar het doel van alles, ervan uitgaande dat zo’n doel er zou moeten zijn, etc. Vraag is: zijn deze vragen nog wel aan de orde? 

 

IX-2

Lange tijd was de vraag naar de ‘aard van de werkelijkheid’ verbonden met de vraag naar de ‘zin van het leven’. Het antwoord op de ene vraag was hetzelfde als, of verwant aan, het antwoord op de andere, en metafysica had (ook) als taak om deze samenhang te vinden en te verantwoorden. (5)

Vraag is: is een dergelijke samenhang nog denkbaar? Kan er nog wel een verbinding worden gelegd tussen ‘de aard van de werkelijkheid’ en de ‘zin van het leven’?

De moderne wetenschap begon met zich niet langer druk te maken over het wat (‘wezen’), waarom (‘grond’) en waartoe (‘doel’) van dingen en gebeurtenissen, om zich toe te leggen op het hoe: hoe functioneert iets, volgens welke regel- of wetmatigheden? Deze aanpak is zeer succesvol gebleken. 

De vraag naar het wat, waarom en waartoe van dingen en gebeurtenissen stellen we ons nog steeds, maar is losgekoppeld geraakt. Is er dan nog een taak voor de metafysica? In ieder geval dient die taak grondig te worden doordacht. 

 

IX-3

Wat heeft de moderne wetenschap veranderd aan het stellen van vragen die vanouds ‘metafysisch’ heten te zijn? Wat is er verschoven, dan wel onnodig geworden, door moderne wetenschap?

Anders gezegd: als het gaat over de ‘aard van de werkelijkheid’, welke vragen roept dat dan nu op? En eerder nog: vanwaar die vragen? Waarom stellen we ze? En waartoe? En wat, welke behoefte of welk verlangen, zou een antwoord op die vragen tevreden moeten stellen? (Louter intellectuele nieuwsgierigheid? Prima, maar is dat voldoende voor filosofie, opgevat als wijsbegeerte?)

 

IX-4

Is de link tussen onderzoek naar ‘de aard van de werkelijkheid’ en de vraag naar de ‘zin van het leven’ helemaal verleden tijd? Of komt het aan op een her-denken, op een opnieuw de vraag stellen, maar dan anders?

 

 

X-1

Nogmaals. Metafysisch denken: waarom? Waartoe? Welke menselijke behoefte of verlangen wordt geadresseerd met het beoefenen van metafysica? Wat is de existentiële relevantie ervan?

 

X-2

Wanneer metafysica niet louter rechtvaardiging en onderbouwing is van een bepaalde levensvisie, maar ook verband houdt met de vraag naar de ‘zin van het leven’, dan blijven existentieel relevante kwesties van belang. Welke? Kwesties die gelieerd zijn aan het zijn als geheel?

 

 

XI.1

Behalve dat metafysica, als ‘eerste filosofie’, bedoeld was als fundering, kan ook gekeken worden naar de effecten ervan. Filosofie opgevat als wijsbegeerte, als ‘weg’ om te gaan, met levenskunstige of spirituele werking. Wat is – of was – de (beoogde) uitwerking van het beoefenen van een ‘eerste filosofie’?

 

XI.2

Is filosofie een metagebeuren, nadenkend over wat elders gebeurt of gedaan wordt? Is zij ‘methodisch’? – zoals de Griekse oorsprong van het woord aanduidt: meta-hodos, met ‘meta’ in een andere betekenis dan ‘na’: over de weg, de weg betreffend. Of is filosofie een ‘weg’ zelf?

 

 

XII-1

Er is noodzaak om zelfbetrokkenheid te doorbreken, ook in denken, maar moet dat door metafysica? Zou kunnen. Maar hoe?

 

XII-2

Nu, net als eerder, is er de noodzaak om al te eenzijdige zelfbetrokkenheid te doorbreken. Daar zijn allerlei goede redenen voor te noemen, waar ik nu niet op in zal gaan. 

Dit doorbreken van zelfbetrokkenheid gebeurde ook in de metafysica, en wel in de naam van transcendentie, oftewel overschrijding. 

Voor ‘transcendentie’ geldt hetzelfde als voor ‘metafysica’: zij is getekend door een eeuwenoude invulling die misschien niet meer geëigend is voor deze tijd. In ieder geval noopt het uitgaan van een Nieuwe Spiltijd tot het bevragen van deze begripsgeschiedenis. 

Plus de vraag of metafysica – in welke vorm ook – (nog wel) het geëigende traject is om transcendentie te laten geschieden.

 

XII-3

Eerder werd in verband met transcendentie al snel uitgegaan van een onderscheid tussen natuurlijk en bovennatuurlijk. Is het nodig om dit onderscheid te blijven maken in verband met transcendentie? Of kan er ook sprake zijn van transcendentie zonder onderscheid te maken tussen natuurlijk en bovennatuurlijk? De vraag is: wat wordt overschreden, van waaruit en waarheen?

 

 

XIII.

Metafysica als ‘weg’ naar een ultieme rustplaats voor een rusteloze geest? – misschien. Misschien zijn er meerdere van die ‘wegen’, innerlijke en naar buiten gerichte. Wat zou voor die rust kunnen zorgen? (Er bestaat zoiets als metafysisch lijden of ongelukkig zijn, zoals er ook metafysisch verlangen bestaat.)

 

 

XIV-1

Wil metafysica de deur op een kier zetten naar het bestaansmysterie? Als dat één van haar taken is, hoe kan zij de hedendaagse mens dan tot aandacht ervoor verleiden? Met welke middelen? (Eerdere denkwegen lijken wat dat betreft niet langer effectief (6).)

 

XIV-2

Zou metafysica niet ook ruimte moeten bieden aan ervaringen die doorgaans worden bestempeld als ‘mystiek’? Idem dito wat betreft ervaringen die verband houden met het gebruik van psychedelica. 

Niet zelden hebben dit soort ervaringen – zowel de mystieke als de psychedelische, zonder ze aan elkaar gelijk te willen stellen – een geestverruimend en zingevend effect, eventueel in afgeleide zin. 

Hoe deze ‘buitengewone’ ervaringen en hun effect te duiden? Wat hebben ze te betekenen voor het verstaan van onszelf en van de werkelijkheid waarin wij leven? Wat zijn de implicaties en consequenties ervan?

(Gaat het te ver om genoemde ervaringen aan te duiden als ‘metafysisch’? In ieder geval lijken ze niet zonder metafysische gevolgen.)

 

XIV-3

Wat betreft het opdoen van buitengewone ervaringen, en wellicht van ervaringen überhaupt, blijft de vraag: wat vermag een tekst? Wat vermag denken? Kan het méér dan attent maken op en evoceren, eventueel in de stemming brengen voor?

 

 

XV-1

Als met ‘metafysica’ bedoeld wordt: nadenken over de betekenishorizon, of het existentiële referentiekader, waarbinnen een en ander zin en betekenis krijgt, dan is dat een kwestie die nog steeds relevant is, met name wanneer we de bestaande, of heersende betekenishorizon aan een kritisch onderzoek zouden willen onderwerpen, of hem zelfs zouden willen vervangen, - wat het geval is bij het introduceren van een ‘Nieuwe Spiltijd’.

 

XV-2

Willen we dit (kritisch) nadenken over betekenishorizon blijven doen in naam van ‘metafysica’, dan zal ook alles moeten worden meegenomen wat eerder met ‘metafysica’ werd geassocieerd. Een complexe, zelf-reflectieve operatie. Is het dan wel handig om de term ‘metafysica’ te willen handhaven? (Of is er reden om dat juist wel te doen: denken dat uit z’n eigen voegen barst en aldus de geest verruimt?)

 

 

XVI-1

Tenslotte: metafysica, of ‘eerste filosofie’, als rechtvaardiging voor denken over mens en wereld. Waarop baseer je je? Vanuit wat voor levensvisie worden uitspraken gedaan over de onderwerpen waarover men wil filosoferen? 

Vanaf het begin van de filosofie zijn haar beoefenaren zich ervan bewust dat geen enkel spreken onschuldig is. In elk spreken wordt het een en ander verondersteld, en het is zaak om deze vooronderstellingen te expliciteren en te doordenken op geldigheid en houdbaarheid, of minstens: om zich er bewust van te zijn.

Dit zelfbewustzijn van de rede is met de tijd alleen maar toegenomen.

 

XVI-2

Ook nu dient een filosofie zich te rechtvaardigen, om zich aannemelijk te maken en om zich te verdedigen tegen kritiek of vooringenomenheid. Vraag is: kan een dergelijke rechtvaardiging nog gebeuren binnen een metafysica zoals die zich tot nu toe heeft ontwikkeld? Is het zinvol om voor zo’n rechtvaardiging nog van ‘metafysica’ te spreken?

 

XVI-3

Een reden waarom metafysica is diskrediet is geraakt, is dat zij lange tijd werd ingezet ter verdediging en bevordering van een bepaalde levensbeschouwing, en wel de christelijke. Is dat wat we nog (steeds) willen?

 

XVI-4

Is metafysica afhankelijk van de levensvisies waarbinnen zij aanvankelijk betekenis had? – dat wil zeggen in het Griekse denken van met name Plato en Aristoteles, en later in het christelijke denken.

 

XVI-5

Wil metafysica toch nog een nieuw leven krijgen, dan zal zij zich moeten losmaken uit de associatie met een geloof, zoals ook transcendentie zich zal moeten losmaken uit de associatie met het bovennatuurlijke. Zo niet, hoe noemen we beide dan?

 

XVI-6

Wie kan heden-ten-dage nog metafysisch denken zonder te beseffen dat er ook heel anders over gedacht kan worden? 

Als gelovige kan ik mij voorstellen dat men genoegen neemt met deze constatering. Maar kan dat ook als filosoof? – en wat geldt voor metafysica geldt evenzeer voor levensbeschouwing, religieus of anderszins: wat heeft de enorme diversiteit aan claims op waarheid te betekenen voor de geldigheid van welke claim dan ook?

Zou het feit dat er zoveel verschillende levensvisies zijn niet een meer-dan-fundamentele vraag moeten oproepen: wat maakt die veelheid mogelijk? (Of is dat geen metafysische vraag?)

En nog een vraag: zou het in deze tijd niet beter zijn om openheid te betrachten, als onderdeel van de eigen levensvisie? – openheid naar andersdenkenden toe, en met de mogelijkheid van vergelijkbaarheid en vertaalbaarheid.

 

XVI-7

Het voordeel van een ruimer begrip, van zowel metafysica als transcendentie, is dat het het gesprek met andersdenkenden vergemakkelijkt, inclusief het openstaan voor vergelijkbaarheid en vertaalbaarheid. Met het oog op de toekomst, waarin we in het dagelijks leven nog meer dan nu, te maken zullen krijgen met meervoudigheid van culturen en van leef- en denkwijzen, lijkt die optie meer dan gewenst. Het zou kunnen dat juist het doordenken van deze meervoudigheid een belangrijke, nieuwe taak voor metafysica wordt.

 

 

XVII.

Heel veel vragen dus – cliffhangers voor latere exploraties.

Metafysica is een ‘uitvinding’ van het Griekse denken, - ontstaan ten tijde van de eerste Spiltijd. Met het oog op een Nieuwe Spiltijd wil ik voorlopig de mogelijkheid openhouden dat deze millennia-oude discipline aan herziening toe is, of zelfs verworpen dient te worden.

Dit betekent niet dat alles wat eerder gedacht werd in verband met metafysica aan musealisering toe is of in de afvalbak van de geschiedenis kan. Het zou goed kunnen dat een en ander – en misschien wel veel – bruikbaar blijft, maar dat zal moeten blijken.

 

 

XVIII.

Veel mensen lijken een metafysische sensibiliteit te missen en leven er wel bij, zoals ook niet iedereen warmloopt voor filosofie überhaupt. Wat zegt dat? Weinig. Ik mis de sensibiliteit voor veel van wat voor anderen (heel) belangrijk is. Het maakt – vermoed ik – uiteindelijk allemaal niets uit, behalve wanneer je niet voluit leeft.

 

 

[Disclaimer: Deze tekst zal de komende dagen waarschijnlijk nog enkele kleine wijzigingen ondergaan.]

 


 

Noten:

.1) Zie post van 19 augustus 2026. Of kijk op: https://driesboele.blogspot.com/2026/08/axialisme-participeren-in-een-nieuwe.html

 

.2) Zie post van 1 september 2026. Of kijk op: https://driesboele.blogspot.com/2026/09/de-nieuwe-spiltijd-als-hoopgevende.html

 

.3) Dezelfde vragen zijn uiteraard van toepassing op filosofie. Zij is zelfs ouder dan metafysica, afhankelijk van hoe men beide definieert. Ook filosofie ontstond tijdens de eerste Spiltijd. Beslissen we met een doordenking van het lot van metafysica – door Aristoteles opgevat als ‘eerste filosofie’ – ook over het lot van filosofie zelf?

 

.4) Is de zijnsvraag, zoals gesteld door Heidegger, uiteindelijk niet toch een afgeleide van aloude, metafysische probleemstellingen? Zwemt zij niet in dezelfde rivier, maar dan stroomafwaarts, en een maatje breder of dieper? Beweegt de zijnsvraag zich niet in dezelfde denkstroom als hetgeen Heidegger bekritiseert? (Vragen, vooral vragen. Nog nader te onderzoeken.)

 

.5) Te denken valt aan de filosofische ondernemingen van Plato, Aristoteles, Thomas, Descartes, Spinoza en Hegel, om enkele groten te noemen.

Premoderne wetenschap, à la Aristoteles, kon nog pretenderen dat zij op weg kon helpen in het vinden van levenszin. Thomas maakte er dankbaar gebruik van.

Spinoza en Hegel, elk op eigen wijze, ‘moderniseerden’ de samenhang tussen de ‘aard van de werkelijkheid’ en de ‘zin van het leven’.

 

. 6) Wie wordt nog tot verwondering verleid door de psychagogie van Plato te volgen, richting de idee? Hetzelfde kan gezegd worden van het geestverheffende denken van Aristoteles, Thomas, e.a.

 

 

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage